Leven in twee werelden
Het verhaal van Ulrike
Ulrike, zesenveertig jaar oud, leer ik in een afgelegen hotel aan de rand van een grote stad in Westfalen kennen, nadat onze afspraak diverse malen verschoven is en ze de plaats van ontmoeting herhaaldelijk veranderd heeft. Een valse bril draagt ze, en een valse naam. Ze hecht aan anonimiteit. Daarop heeft ze tenslotte haar bestaan gebouwd: sinds meer dan twintig jaar leidt ze een dubbelleven.
Ulrikes jeugd verliep heel conventioneel. Haar ouderlijk huis was burgerlijk, door puriteinse principes gekenmerkt. Het meisje paste zich aan: haar schooltijd en de eerste vriendschappen verliepen volgens de moralistische richtlijnen van haar ouders.
Ulrike, zo zegt ze nu zelf, was een ‘doorsnee-kind van doorsnee-schoonheid, met een doorsnee- intelligentie en met een doorsnee-jeugd’.
Tegenwoordig is Ulrike allesbehalve een doorsnee-vrouw. Ze is een meesteres in het omschakelen tussen twee totaal verschillende werelden.
De ene wereld: haar zelfverkozen slavenbestaan. Een bestaan waarin ze zich volledig overgeeft, ‘alleen nog maar object wil zijn, haar heer en meester ten dienste staat’.
Waren er in haar kindertijd al aanwijzingen voor een masochistische houding?
Ja, toch wel, een paar belevenissen in haar jeugd schieten haar na enig nadenken te binnen.
Vechtpartijen op het schoolplein. Maar het gaat haar er niet om te winnen. Dat weet ze tegenwoordig, als ze terugkijkt. ‘als ik verloor, dan had ik een veel groter gevoel van triomf.’
De overwinnaar knielt boven op haar, houdt haar lichaam in bedwang. Oefent macht over haar uit. Ze kronkelt zich onder hem, is hulpeloos. en toch: ze geniet stiekem van de pijn die het gewicht van het lichaam van de overwinnaar bij haar veroorzaakt. Ze geniet van de vernedering, de schande. En de aanmoediging van de anderen, de medescholieren die een kring om de vechtenden op het schoolplein gevormd hebben: ‘Kom op, neem haar te pakken!’ – ‘Uittrekken, alles uittrekken, trek al haar kleren uit!’ – ‘Wurg haar, maak haar van kant!’
Ulrikes ogen glinsteren als ze dit vertelt, in het vale licht van de verduisterde hotelkamer.
‘Ik keek hem altijd recht in zijn ogen, mijn overwinnaar. Hij genoot van mijn angst. en ik genoot van zijn macht. De ogen van de machtige, van de rechter over goed en kwaad, de ogen van degene die op dat ogenblik mijn leven in zijn hand had. En de spanning. Wat gaat hij met me doen?;
Al te genadige overwinnaars, die het bij een ‘kietelkuur’ laten, wekken bij haar slechts teleurstelling op. Daarna is ze onrustig, zoekt snel het volgende gevecht. Zoekt verder, steeds verder…
In een pak slaag toont ze als kind geen interesse. Integendeel zelfs: ‘Ik was opgelucht dat ik geen slaag kreeg. De buurkinderen kregen vaak op hun donder, ook wel met een rietje of een leren riem. Ik was echt blij dat me dat bespaard bleef.’
Ondertussen vindt ze het fascinerend rovertje te spelen. Ulrike is een roverskind, altijd. Ze wordt gevangen genomen en met de andere rovers in de kelder van een bouwvallig huurhuis opgesloten. De rovers achter slot en grendel: het eind van het spel.
Een centrale gebeurtenis in haar jeugd is haar erg goed bijgebleven.
‘Op een dag, toen we als rovers weer eens gevangen genomen waren, riep een moeder ons plotseling. Iedereen stormde naar buiten, want we mochten daar beneden natuurlijk niet spelen; het huis was onbewoonbaar verklaard wegens instortingsgevaar.’
Iedereen vlucht, de deur naar de begane grond valt dicht en het licht is verdwenen.
Ulrike is alleen. In het donker.
Een nachtmerrie voor ieder kind. Alleen, vergeten in het enge donker van een leeg huis.
‘Eigenlijk een nachtmerrie. Maar ik vond het prettig. Op een eigenaardige manier beviel het me hulpeloos, overgeleverd te zijn.’
Een vreemde spanning overvalt haar. Net zoals bij de vechtpartijen op het schoolplein: haar lot ligt in handen van anderen, ze oefenen de macht uit over haar lichaam, over haar leven.
De redding kwam veel te snel. Teleurstelling. Zoals bij schoolgevechten. En daarna weer de onrust, die haar verder en verder drijft…
Eerste liefdeservaringen. Het gebruikelijke: een paar kusjes, omhelzingen. Geslachtsverkeer voor het huwelijk was ondenkbaar. Uiteindelijk kwam Rudolf. Ulrike nam deze relatie serieuzer dan alle andere. Waarom wist niemand precies.
De verloving vond ik familiekring plaats en een half jaar later trouwden ze. Op de foto’s straalt Ulrike. Maar de grote gevoelens ontbraken.
‘Ik dacht gewoon dat dat normaal was.’
Ze was wel benieuwd naar geweest naar de huwelijksnacht, de eerste seksuele ervaring. Haar moeder en peettante instrueerden haar in zusterlijke verbondenheid toen ze naar boven ging, naar de slaapkamer, waar de kersverse echtgenoot wachtte: ‘Laat het maar snel gebeuren, doe liefst je ogen dicht. Weet je, voor een vrouw is het alleen een offer…’
En dat was het dan ook werkelijk voor Ulrike: een offer. Op deze teleurstelling was ze echter goed voorbereid. ‘Ik had niet het gevoel dat deze werkelijkheid voor mij niet voldoende was, dat ik misschien iets anders wilde, dat ik een bijzondere geaardheid bezat. De werkelijkheid van alledag was teleurstellend, dat wist iedereen, dat was gewoon zo. Dus was het normaal dat ik teleurgesteld was. Mijn teleurstelling, de ontevredenheid en het onbevredigd zijn herleidde ik dus tot de algemene ontevredenheid van de vrouw. Het is nu eenmaal het lot van de vrouw, zo dacht ik, teleurgesteld te zijn, onbevredigd te blijven, en ook onrustig.’
Rudolf was aan het begin van hun huwelijk erg op seksuele bevrediging gespitst, echter alleen op die van hem zelf. ‘Om de dag kwam hij op mijn helft van het echtelijke bed, ging op me liggen, ogen dicht, kont omhoog – en het was alweer gebeurd.’
De innerlijke leegte was erger dan de vernedering en kleinering door een egoïstische man. ‘Ergens beviel de vernedering me zelfs; in bed liggen en ermee rekening te moeten houden: als hij zin heeft, dan pakt hij gewoon wat hij wil, zonder zich om mij te bekommeren.’
Ulrike werd zwanger. Maar in de vierde maand kreeg ze een miskraam. Ze lag lang in het ziekenhuis. Rudolf zorgde liefdevol voor haar, was heel attent. Na haar thuiskomst liet hij haar seksueel met rust.
Voorbij was de tijd van bang en toch blijde verwachting: misschien pakt hij gewoon wat hij wil.
Het leven ging verder: overzichtelijk, rustig, als een aaneenschakeling van dagelijkse rituelen.
Op een avond, op de terugweg van een bezoek aan haar moeder, overkwam Ulrike iets verschrikkelijks.
‘Ik liep door een rustige, nauwelijks verlichte zijstraat naar huis. Plotseling naderden er twee mannen, een van voren, een van achteren. Ik werd natuurlijk verschrikkelijk bang. Ik schreeuwde, wilde wegrennen. Tevergeefs. Ze trokken me de bosjes in; de een trok me de kleren van het lijf terwijl de ander me vasthield.’
Ze ligt naakt op de grond, in een vaste omklemming. Een van de mannen maakt zijn broekriem los, trekt zijn broek uit…
‘Op dat moment had ik het te pakken, anders kan ik het niet omschrijven. Mijn angst was weg. Ik was zo opgewonden als nooit tevoren in mijn leven. Seksueel, bedoel ik…’
Ulrike werd om beurten door beide mannen verkracht, in verscheidene posities, en ook tot vernederende handelingen aan de beide mannen gedwongen. ‘Ik moest bijvoorbeeld de penis van de een diep in mijn mond nemen, terwijl de ander me van achteren nam.’
Ergens diep in de nacht is alles voorbij.
Ulrike sleept zich naar huis, afgebeuld, bloedend, smerig, bezoedeld – en gelukkig.
‘Ik wilde het liefst in deze toestand verstarren. Ik ging eerst eens op een bank zitten en genoot heel intensief van wat ik zojuist beleefd had: de pijn, de vernedering. Ik wist dat dit het was. Alleen dit.’
Voor schaamte en ontzetting is bij haar geen plaats; daarvoor is het geluksgevoel te sterk, de bevrediging te intensief.
In de daaropvolgende week leeft ze helemaal op. ‘De hele tijd riep ik in gedachten de gebeurtenis, de beelden weer op, elk woord, elk moment, en steeds weer kwam dit gevoel terug…’
Ulrikes onrust verdween voor korte tijd. Haar huwelijksleven werd voor korte tijd hartstochtelijker. Negen maanden later kwam dochter Claudia ter wereld. Twee jaar later zoon Stefan.
Maar de onrust kwam terug. Het echtelijke seksleven zakte in. ‘Eenmaal in de maand was genoeg voor Rudolf.’
Voor Ulrike was dat niet genoeg. De hartstocht, de sterkte en de macht van haar driften, de onrust dwingen haar voor zichzelf tot een bekentenis: ze heeft het nodig.
Wat ze precies nodig heeft, weet ze zelf niet. Het is iets met pijn en onderwerping. Het woord ‘masochisme’ is haar vreemd, ook nu nog.
‘Aan een advertentie of zo durfde ik helemaal niet te denken. Ik was werkelijk zo naïef te geloven dat iedereen die de advertentie zou lezen, gelijk zou weten dat die van mij was.’
Maar op een gegeven moment, als de onrust te sterk wordt, als de lust het van de angst wint, rijdt ze naar de dichtstbijzijnde stad, veertig kilometer ver, om naar een seksshop te gaan.
‘Er waren alleen mannen, ik was de enige vrouw.’ Met een hoogrood gezicht schiet ze de zaak door, grijpt naar het eerste het beste tijdschrift, gooit het geld op de toonbank en rent naar buiten.
Het tijdschrift, een onschuldig blaadje met contactadvertenties, bevat niets wat Ulrikes fantasieën bijzonder opwindt: standaard seks, zij het met wisselende partners. Maar toch staan er een paar advertenties van mannen in die aanbieden tegen gepaste betaling alle wensen van een vrouw te vervullen.
Ulrike belt een van deze mannen op.
‘Ik vond het nogal pijnlijk vanwege het geld. En ik wist zelf nog niet eens precies wat ik wilde.’
Hij ‘verkracht’ haar, boeit haar, slaat haar met een zweep. ‘Lichamelijk was het geweldig. Maar de ernst ontbrak aan het geheel. Ik moest de hele tijd denken: hij doet dat nu, omdat ik het hem gezegd heb, omdat ik hem ervoor betaal…’
En toch: de gebeurtenis geeft haar moed. Er volgt een tweede bezoek aan de seksshop. Deze keer neemt ze de tijd. In het contactmagazine voor ‘kenners, die van iets bijzonders houden’, vindt ze advertenties die haar aanspreken: advertenties van heersers en meesters, die ‘iedere vrouw tot slavin africhten, tot een willoos object’.
Ulrike staat onder hoogspanning. Ze schrijft op drie aanbiedingen.
En wacht. Bang. Opgewonden.
Thuis gaat alles zijn gangetje. De kinderen zijn overdag bij haar schoonmoeder, zelf werkt ze sinds een tijdje halve dagen als secretaresse in heen handelonderneming. Daar laat ze ook de antwoorden naar toe sturen, als reclamefolder vermomd.
Als snel heeft ze een ontmoeting met een van de adverteerders: een ‘heerser, die weet wat slavinnen nodig hebben’.
Ulrike rijdt met hem naar zijn huis. Een tegengeluid geïsoleerde woonkamer. Hij komt gelijk ter zake. Aan overbodig geleuter heeft hij geen boodschap.
‘Hij ging zo hard tekeer, dat hij mijn huid bijna aan flarden sloeg.’
Dan strijkt hij er haastig en bijna onwillekeurig een desinfecterende zalf op. De volgende alstublieft.
Ulrike is geschokt, en toch lichamelijk bevredigd. ‘Aan deze gebeurtenis dank ik het besef dat ik pijn nodig heb, echt zware lichamelijke pijn.’
Haar rug brandt wekenlang als vuur. Ook nog als Rudolf de volgende keer voor de maandelijkse voltrekking van het echtelijke verkeer op haar rolt. ‘Het was een te gek gevoel.’ En ook Rudolf is blij over de hartstocht van zijn vrouw.
Als ‘genadeloze Dominus’ prees de tweede man zichzelf in zijn advertentie aan.
De ontmoeting met hem eindigt al voor zijn hotel.
‘Hij wilde precies weten wat ik wanneer, waar en in welke mate wilde hebben. Hoe kon dat nou! Ik weet dat niet en wil het ook helemaal niet weten. En ik zou het al helemaal niet willen bepalen. Ik had geen angst en geen spanning in me. Ik kan toch geen gebruiksaanwijzing leveren en dan weer in de rol van de onderworpene kruipen!’
Naar de ontmoeting met een derde adverteerder gaat ze eigenlijk tegen haar zin en al tamelijk gedesillusioneerd.
Een penthouse in een exclusieve flat in het centrum van de stad. Als Ulrike met de lift naar boven gaat, klopt het hart haar plotseling in de keel, zonder bijzondere reden.
De deur naar de woning staat open. Aarzelend betreedt ze het appartement.
Geen levende ziel, geen geluid. ‘Ik was in verwarring, het liefst had ik me omgedraaid. Maar iets hield me gevangen.’
Dan staat hij plotseling voor haar. Hij staat er gewoon en zegt geen woord.
‘Op dat moment was alles beslist, was mijn lot bezegeld. Ik wist dat deze man sterker was dan ik, tegen hem kon ik niet op. Ik wist dat ik aangekomen was, dat ik was waar ik altijd heen gewild had. Ik was direct volledig aan hem overgeleverd.’
De man, die ze met ‘Sir’ moest aanpreken, drukt ter begroeting haar hoofd naar beneden, trekt haar aan haar haren op de knieën. ‘Begroet me zoals het mij toekomt, jij ellendig slavenvarken!’ beveelt hij met gruwelijke monotone, koude stem.
Ulrike is helemaal weg. ‘Ik kon wel huilen van puur geluk.’
Maar voorlopig huilt ze eerst van pijn. Gewillig voert ze zijn bevelen uit. Knielend likt ze zijn voeten, dan zijn benen, ten slotte neemt ze zijn koninklijke lid in haar mond.
Hierbij is ze te opgewonden, te wild, te onstuimig. En daarvoor moet ze boeten. Hij laat haar aan een ketting door het enorme appartement kruipen en de grond kussen.
Tussendoor dient hij haar zweepslagen toe, en bepaald geen symbolische. ‘Ik werd voor de eerste keer werkelijk met een zweep geslagen. Het waren geen beschroomde aaien, en het was ook geen bruut erop los slaan, maar slag voor slag een goed gedoseerde pijn.’
Haar naam interesseert hem net zo weinig als haar verdere leven. ‘Je bent een verdomd slavenvarken, meer niet, begrepen!’
Ulrike begrijpt het en knikt enthousiast: dat en niets anders wil ze zijn.
Maar een ding zou nog mooier kunnen zijn, zou de bekroning zijn: zijn slavin te worden.
Maar daar wil hij eerst eens rustig over denken. Deze gunst moet ze eerst verdienen, door overtuigde gehoorzaamheid, door het bewijzen van haar totale onderworpenheid.
Ulrike gaat deze avond als in een warme deken gehuld, als op de wolken zwevend naar huis. ‘Ik zou van louter gelukzaligheid hebben kunnen huilen.’
De onrust is voorbij. Ze heeft haar doel bereikt. Ze heeft hem gevonden. Ze heeft haar geluk gevonden.
Cadeau krijgt ze niets, bespaard blijft haar net zo weinig in de in de eerste weken van haar proeftijd als slavin. Maar dat boeit haar juist nog meer.
Haar meester, haar heer en gebieder laat niets onbeproefd, geen kwelling, geen pijn, geen vernedering uit het brede arsenaal van dressuur- en foltermogelijkheden.
Ulrike lijdt, en geniet. Van de behandeling met hete was net zo goed als van het met naalden doorsteken van haar tepels en haar schaamlippen. ‘Ik stond op het punt om flauw te vallen, maar de vreselijke pijn dwong me ertoe stil te blijven, me volledig over te geven.’
Ulrike is trots op de tekens van Hem, op de lichamelijke bewijzen van haar bestaan als slavin. En ze is ervan overtuigd dat H, zoals haar meester zichzelf noemt, werkelijk van haar houdt, want tenslotte wijdt hij zich – ook al is het nog zo pijnlijk – aan elke millimeter van haarlichaam, terwijl Rudolf, haar man, ‘sinds jaren niet meer naar mijn borsten gekeken heeft, ze hoogstens door mijn nachthemd heen wild kneedt, kort voor hij zover is’.
Met H is alles anders, onvergelijkbaar intensief, en ondanks alles liefdevol. Daaraan veranderen de constante verbale en reële vernederingen niets. Want ze wee: ‘Ik ben een stuk oud vuil, een stuk vlees, waardeloos, vervangbaar, zuiver een object van zijn begeerte.’
Ulrike beschouwt het als de ‘mooiste dag in mijn leven’: de dag waarop ze het slavenexamen doet en ZIJN slavin wordt.
Want nu is ze opgenomen in de staf van zijn uitverkoren dienaressen en lustobjecten. Ulrike is niet de enige, want H beschikt over vijf vaste dienaressen, die allemaal in de voortdurende vrees leven verstoten of verkocht te worden.
Ook Ulrike leeft met deze angst. ‘Ik moet er dagelijks rekening mee houden dat hij me niet meer wil, dat hij me beu wordt.’
Dat hij nog anderen heeft, dat ze maar een van velen is, stoort haar niet. Integendeel, dat hort erbij. Hoe zou ik zijn wil kunnen bekritiseren, mij teweer stellen tegen hem en zijn beslissingen? Hij doet wat hij wil, en ik doe wat hij zegt.’
Driemaal per week doet ze alles wat hij zegt. ‘s Middags, bij hem in het penthouse. Al meer dan twintig jaar.
Verder blijft Ulrike wie ze was: echtgenote, moeder, en sinds jaren ook een steeds succesvoller zakenvrouw.
‘Dat met H geeft me zoveel energie, maakt me ergens onkwetsbaar. Hoe zou ik ook op zakelijk gebied vals respect kunnen hebben of bang kunnen zijn voor iets of iemand, nu ik toch in mijn tweede bestaan als slavin gewend ben, werkelijk alles te verdragen? Dit officiële leven is voor mij een spel, een belachelijk gemakkelijk spel. Ik ben volkomen ongevoelig voor vernederingen of machtsspelletjes van welke soort dan ook. Dat zal wel het geheim zijn van mijn snelle maatschappelijke carrière.’
Ook haar rol als moeder vormt voor har geen probleem: ze houdt van haar kinderen, besteed veel tijd aan hen.
‘Als slavin moest ik leren wachten, mezelf en mijn behoeften helemaal opzij zetten. De rol als moeder vereist niets anders: afwachten, er altijd zijn voor de kinderen, niets eisen, maar alles geven. Ik ben ervan overtuigd dat ik alleen daarom zo’n goede, begripvolle moeder ben geworden, omdat ik deze eigenschappen met de hulp van H volmaakt heb ontwikkeld.’
Ze heeft de discrepantie tussen haar officiële leven en haar bestaan als slavin nodig. Maar: van haar gezin zou ze in het uiterste geval kunnen afzien, van H niet.
‘Een echtgenoot als Rudolf vind ik op elke straathoek, de kinderen zijn volwassen, een vergelijkbare baan zou ik ook wel weer kunnen krijgen. Maar een dergelijke vervulling, zoals H me die geeft, zou ik waarschijnlijk nooit meer vinden.’
Of ze deze vervulling vindt, is ter beoordeling van haar meester.
‘Er zijn dagen dat hij mij niet wil zien. Of zich in ieder geval niet met mij wil bezighouden. Dan verlangt hij bijvoorbeeld dat ik zijn woning opruim, terwijl hij een andere slavin onder handen neemt.’
Dat doet pijn en is daarom herlijk.
Soms, als het H goeddunkt, leent hij haar ook uit. Tenslotte zijn heersers altijd bereid tot hulp aan elkaar, en niet iedereen heeft het geluk er meteen vijf gewillige slavinnen op na te houden.
Ulrike heeft er niets op tegen.
Ulrike heeft er ook niets op tegen, eens per kwartaal in de slavenclub ‘Justine’ voorgeleid te worden.
Daar wordt ze eerst naakt of in gepaste leren kleding geketend, aan een houten kruis gehangen of aan een paal gebonden en ter aanschouwing vrijgegeven, zoals andere slavinnen naast haar.
Nadat ze door de aanwezige heersers of ook wel Domina’s grondig in ogenschouw is genomen, is het tijd voor de gehoorzaamheidstest. Iedere heerser en iedere heerseres kunnen hierbij meebepalen welke prestaties een slavin moet verrichten en in welke vorm. Grenzen zijn er zo goed als niet. Alle soorten liefdesdiensten worden gevraagd, ook op het buitengewoon vernederende wijze aanbieden van haar lichaam onder extreme verbale vernederingen en beledigingen.
Daarna wordt gevoeligheid voor pijn getest. Ook hierbij worden er geen grenzen gesteld aan de wensen van de aanwezige heren en Domina’s. De slavinnen krijgen zweepslagen, worden geschopt, in pijnlijke standen vastgebonden en uitgerekt, met was en heet ijzer, naalden en klisteerspuiten behandeld. Wee degene die al te snel in klaaglijke geluiden uitbarst! Daarover kan iedereen vrijelijk beschikken; wie dat treft, is zonder meester en werkelijk alleen nog een object zonder uitzicht op vertrouwen of zelfs mededogen van de kant van de eigen meester.
Om tot slavin zonder meester verklaard te worden, daarvoor zijn ze allemaal bang. Hoewel ‘dat ook ergens wel heel opwindend is’ zoals Ulrike toegeeft. ‘Deze slavin wordt dan van meester naar meester geduwd of zelfs van Domina naar Domina, niet alleen bij deze gelegenheid, maar voor altijd. Net zolang tot ze zich zo bevredigend gedragen heeft, dat een of andere meester zich over haar ontfermt en haar weer tot zijn vaste slavin maakt.’
De beste slavin, dat wil zeggen de gewilligste en die met de minste taboes, die het langst de pijn nederig gedragen heeft, krijgt een prijs. die neemt natuurlijk niet zijzelf, maar haar heer en leraar in ontvangst.
H heeft heel veel prijzen in zijn woning staan. Drie daarvan bracht Ulrike voor hem in. Want taboes kent ze niet.
Bijna niet. ‘Met seks met dieren en kinderen heb ik niets. Maar H ook niet. Dus weiger ik ook niet gehoorzaam te zijn’.
Niet weigeren gehoorzaam te zijn, H niet kwaad te maken, dat is belangrijk voor haar. Niet alleen uit vrees voor straf, maar veel meer uit angst voor ontslag. Want Ulrike wordt niet jonger. En H is veeleisend, ook in esthetisch opzicht.
Het is nauwelijks te geloven hoeveel gewillige, knappe slavinnen van jeugdige leeftijd er zijn. Advertenties bijvoorbeeld van hem, H, hebben steeds een regelrechte stortvloed van smeekbeden en de meest onderworpen vleierijen om opname in de slavenstand tot gevoel. H kan dus kieskeurig zijn. Ulrike niet.
‘Over een paar jaar mag ik alleen nog maar bedienen. Dat gebeurt nu al steeds vaker.’
‘Bedienen’ betekent: Ulrike houdt zich met hem bezig, met zijn lichaam. Ze wordt steeds meer het actieve deel van de relatie. Hij maakt zich nauwelijks nog druk om haar lichaam, heel anders dan in het begin.
‘Dat doet natuurlijk pijn. In het begin bevredigde het me zo geweldig en maakte het me ook zo eindeloos gelukkig, dat hij zoveel lust ondervond door het uitdenken van steeds nieuwe martelingen voor mijn lichaam. Hij hield zich echtuitvoerig en intensief met mijn lichaam bezig. Hij wilde het bekijken als het zich verzette, als het sidderde, zich onder de slagen kronkelde, zich weer ontspande. Tegenwoordig trekt dat hem nauwelijks meer aan. Tegenwoordig moet ik ervoor werken, het afsmeken, dat hij zich daar weer eens een keertje toe verwaardigt. Hij slaapt ook nauwelijks nog met mijn, wat me natuurlijk ook erg veel pijn doet. Maar ik heb nog altijd de mogelijkheid om deze gunsten te vragen en ze door onderworpenheid te verdienen. Hoe het ook zij: het is mijn lot. Een slavin heeft maar te nemen wat ze krijgt. Ik wilde en wil het niet anders.
Met Rudolf, haar man, slaapt ze ondanks de afnemende belangstelling die H voor haar koestert, niet vaker; sinds een paar jaar zelfs nog maar eens in de twee maanden. Ook hij wordt ouder; de stress van zijn werk belast hem zwaar en beperkt zijn lichamelijke prestaties. Toch ziet Ulrike haar toekomst gelaten tegemoet. ‘Het voornaamste is dat H me niet helemaal verstoot’.
Ze heeft geen vastgestelde plannen voor haar toekomstige leven. ‘Dat past een slavin ook helemaal niet.’
Ze wacht van maandag tot woensdag, van woensdag tot vrijdag en van vrijdag tot maandag. Dat zijn H-dagen. Middagen. Drie uur. Nooit langer. Soms ook korter, als H genoeg van haar heeft.
Een paar wensen heeft ze, en die zijn allemaal verbonden met H en haar bestaan als slavin.
‘Ik verlang er naar me een tijd lang in volstrekte duisternis te bevinden, naakt, geketend. Een paar gemaskerde mannen halen me op. Een van hen is H, maar ik weet niet welke. Ze slaan me en sluiten me weer op. Ik weet nooit wanneer ze terugkomen, of ze ooit nog wel terugkomen. Maar ze komen altijd terug, verkrachten me, dwingen liefdesdiensten van me af en brengen me dan weer terug in mijn eenzame duisternis. Ik verlang er ook naar dat ze me zo hard behandelen, dat ik niet weet of ik deze behandeling zal overleven. Ik zou graag de grenzen willen verkennen.’
Ook de doodsangst?
In de nabijheid daarvan kwam ze al een keer, toen H haar wat al te lang met elektrische schokken pijnigde. Of haar hoofd iets te lang onder ijskoud of heet water hield.
‘Op zo’n moment breekt er iets in je. Het is de totale zelfovergave. Een roes!’
Haar echtgenoot beklaagt zich ondertussen bij zijn collega’s op het werk over zijn preutse vrouw.
Het echtelijke verkeer staat dan opeen steeds lager pitje. En als het ere al eens van komt, dan altijd volgens hetzelfde patroon, sinds twintig jaar: altijd in het donker en altijd hetzelfde standje.
Van Ulrikes wonden en littekens heeft hij nooit iets gemerkt. Een keer werd hij wantrouwig, toen Ulrike een paar dagen niet meer kon lopen: H had haar voetzolen wat te lang met een hete ijzeren staaf gemarteld.
De littekens aan haar voetzolen zijn haar grootste trots en worden door haar vol overgave verzorgd. Ze zijn het teken van haar slavin-zijn, ZIJN teken.
Mee heeft ze niet nodig, meer verlangt ze niet van hem.
‘H,’ zegt ze met de blik naar beneden, ‘H is de grote liefde van mijn leven, de vervulling, het oneindige geluk.’
Weer thuis na het gesprek met Ulrike, liet ik alles nog eens de revue passeren: vier gesprekken met vrouwen die masochistisch zijn, zoals ik. Vier vrouwen die voor hun masochisme uitkwamen en het in de praktijk brachten of dat tenminste probeerden.
Ik bleef achter. Ik was op een bepaalde manier opgelucht, omdat ik kennelijk toch niet alleen stond met mijn geaardheid. Ergens was ik echter ook treurig, omdat ik gewoon nog niet het grote geluk had gevonden zoals Cora of tenminste een beetje zoals Ulrike.
In geen van de vier vrouwen had ik mezelf helemaal herkend, hoewel er hier en daar wel parallellen waren. Maar uiteindelijk ontbrak er voor mij iets in elk van de vier levens- en liefdesverhalen.
Er was iets dat me stoorde bij alle vier de gevallen, zelfs al scheen de vervulling nog zo volledig…
De woorden van Vera, die zo graag Cora is, schoten me te binnen: compromissen sluiten, je aanpassen. Maar ik wilde geen compromissen. Ik wilde van niets afzien. Ik wilde precies datgene wat ik wilde.
Alleen: ik wist nog steeds niet wat ik eigenlijk wilde.
In de tijd na de gesprekken met Marga, Sabine, Vera en Ulrike bleef ik alleen. Ik was rustig, dacht veel na, was in mezelf gekeerd. ‘s Avonds lag ik in bed, alleen.
Alleen mijn boeken hielden me gezelschap. Ik las en las. Voor een korte tijd werd ik Justine. Een paar nachten lang was ik O. Meer bleef er voor mij niet over…
Eenzame dagen. Eenzame nachten. Nachten vol verlangen en onvervulde hartstocht.
‘Dat heb je toch nodig, slavin!’
Over het leed een masochist te zijn
Aan het eind van een van de vier zijden van de kruisgang bereikten we in het donker eindelijk een trap. De monnik beval me naar boven te gaan en volgde me.
Hij bemerkte de onwil in mijn binnenste. ‘Ellendig loeder!’ voegde hij me toe. Zijn voorkomendheid was plotseling verdwenen. ‘Je gelooft toch niet dat je nu nog terug kunt? Je zult nog wel merken dat het voor jou misschien beter geweest was in de handen van een dievenbende te vallen dan van vier monniken!’
Hij had dat nog niet gezegd of mijn ogen moesten verschrikkelijke dingen zien. De deur werd geopend, en ik ontwaarde drie monniken en drie jonge meisjes die rond een tafel zaten. Allemaal boden ze een verbijsterend ontuchtige aanblik. Twee van de meisjes waren volkomen naakt, en de derde was zich aan het uitkleden. Ook de monniken bevonden zich in een uiterst frivole toestand.
De monnik die me hierheen gebracht had, begroette zijn drie vrienden en wees toen op mij. ‘Hier is degene die ons nog ontbrak. Sta me toe dat ik jullie een echte rariteit presenteer. Dit meisje draagt het onmiskenbare kenmerk van haar maagdelijkheid.’
Zijn even duidelijke als aanstootgevende gebaar veroorzaakte een schallend gelach.
In zo’n gezelschap zou ik dus van nu af aan moeten leven! En ik had nog wel gedacht op deze plek alle deugden van de wereld aan te treffen.
Ze gaven me te verstaan dat het verstandigst was me net zoals mijn metgezellen te gedragen en zonder tegenspraak te gehoorzamen.
‘Het moet je duidelijk zijn,’ zei Raphael, de monnik, ‘dat je er op deze afgelegen plaats helemaal niets aan hebt als je je probeert t verzetten tegen onze wensen. Je hebt al zoveel ongeluk meegemaakt. Maar het grootste ongeluk dat een deugdzaam meisje kan meemaken, zul je pas op deze plaats meemaken. Maar je moet bedenken: op deze leeftijd nog maagd te zijn is tegennatuurlijk. Deze toestand kan niet tot in de eeuwigheid voortduren. Kijk toch eens naar je metgezellen! Ook zij verweerden zich eerst, toen we hun bevalen dienstbaar aan ons te zijn. Maar ten langen leste hebben ze ons gehoorzaamd, omdat ze erkenden dat elke weerstand hun slechts op mishandelingen zou komen te staan. En als je verstandig bent, denk jij er precies zo over. Hoe zou jij je ook kunnen verweren in jouw toestand? Wie zou je te hulp kunnen roepen? Toch niet soms de god die je zo ijverig aanroept, maar die jouw geloofwaardigheid alleen gebruikt heeft om jou in de val te lokken? Er is dus, zoals je ziet, geen macht in de hemel of op de aarde die je zou kunnen helpen in het bezit van je maagdelijkheid te blijven, waaraan je zoveel waarde hecht. En niemand of niets zal ons kunnen verhinderen je op elke denkbare wijze tot het voorwerp van onze ontuchtige losbandigheden te maken. Kleed je dus nu uit! Verdien onze welwillendheid door je volledig te onderwerpen. Want je moet rekening houden met de hardste en smadelijkste behandeling, als je ons niet gehoorzaamt!’
Ik viel voor Raphael op mijn knieën en smeekte hem mijn hulpeloosheid niet te misbruiken. Met tranen probeerde ik zijn medelijden op te wekken. Ik wist nog niet dat tranen een heel bijzondere opwinding veroorzaken.
Raphael liet zich niet vermurwen. ‘Pak dat loeder!’ riep hij.
‘Kleed haar direct voor onze ogen uit, en maak haar duidelijk dat mensen als wij geen medelijden hebben. *
* Uit: Markies de Sade, Justine
Als Mario komt, besluit ik: hij moet het zijn. Ik ben het wachten zat, het alleen zijn moe geworden. Ik wil eindelijk een keer leven, eindelijk een keer liefhebben, en vooral: eindelijk een keer lijden!
Misschien, zo zeg ik tot mezelf, heb ik altijd gewoon veel te hoge eisen gesteld. Misschien was ik er veel te veel op gefixeerd alleen precies datgene te krijgen wat ik in mijn dromen ooit bedacht had.
Maar dromen zijn maar dromen. Ik wil eindelijk ervaren hoe het in de werkelijkheid is. Als masochistische vrouw, als slavin.
Liever compromissen dan volledige onthouding, denk ik. En al te groot hoeven mijn compromissen misschien helemaal niet te zijn, zo lijkt het voorlopig, als ik Mario leer kennen.
Ik ontmoet hem toevallig, dus niet via een advertentie, en als we elkaar leren kennen, zijn er van mijn kant totaal geen voorstellingen of aanspraken. Een onschuldige voordracht over het milieu met aansluitend discussie brengt ons bij elkaar.
Maria is een twee meter lange reus, met een baard, een stevig postuur en een sonore stem. Hij straalt warmte uit, geborgenheid, en rust. Ja, en ergens ook…
We gaan een paar keer samen uit. Uit eten, naar de bioscoop en andere onschuldige genoegens. Eigenlijk wijst niets erop dat er tussen ons een liefdesrelatie zou kunnen ontstaan, en al helemaal niet dat het zo’n relatie zou kunnen worden als ik voor mezelf wenste.
Maar dan zijn er mijn dromen, mijn fantasieën en mijn grote, jarenlang opgestapelde hunkering en ook hartstocht: ik wil het nu eindelijk!
Wat is het toch gemakkelijk ineen doorsnee-mens dominantie en heerserseigenschappen te menen aan te treffen! Elke blik, elk woord kun je op deze manier duiden, als je het wilt. En ik wilde het zo.
Hij moest het gewoon zijn. en de uiterlijke kenmerken waren er in het algemeen niet mee in tegenspraak: hij was wat ouder dan ik, groter en had een goede baan. En dan die rust!
Na een paar weken waag ik de eerste stap. Door speelse aanduidingen spreek ik over mijn wens naar onderwerping, mijn lust aan de pijn.
Al had ik het gewild, veel duidelijker kon ik niet worden. Ik weet immers zelf nog niet veel meer over mezelf en mijn emoties. Ik kan mezelf niet beschrijven, mezelf niet in een hokje stoppen. Mijn wensen zijn gericht op iets met pijn, slagen en onderwerping; men noemt dat wel masochistisch, wat ik ben, en dat ben ik ooit te weten gekomen dank zij mijn uitstapjes in de literatuur erover. Maar daar is alles mee gezegd. Meer wil ik niet.
Mario is in elk geval enthousiast als ik hem duidelijk maak waar ik heen wil.
Precies dat, precies zo’n vrouw heeft hij zijn hele leven gezocht.
Daarmee staat hij niet alleen. Ik heb nog geen man ontmoet, onverschillig van welke leeftijd en uit welke sociale klasse, die zich na mijn bekentenis dat ik masochistisch ben, niet dolblij ter beschikking heeft gesteld. Werkelijk: geen een. Masochisten gezocht…
Mario wil me laten zien hoe de vork in de steel zit. Teder maar consequent.
Wat hij zegt, klinkt goed.
Ik krijg vertrouwen in hem en ben vol spanning: nu begint het eindelijk! Mijn onderwerping, mijn leven als slavin begint. Ik geniet van het gevoel niet meer aan hem te kunnen ontsnappen. Hoewel dat natuurlijk niet helemaal klopt: ik zou op elk moment kunnen vertrekken. Maar ik geniet van het idee: ik zou hem nooit ofte nimmer kunnen ontkomen.
Hij stelt een slavernij contract op, dat ik moet ondertekenen. Daarin verplicht ik mij, hem volledig – op elk tijdstip, op elke manier, voor al zijn wensen – ter beschikking te staan en zijn bevelen op te volgen. Het contract is hard geformuleerd, de waarden waarmee hij mij daarin beschrijft, bevallen me niet, maar ik denk: misschien hoort dat gewoon tot mijn onderwerping eraan. Ik moet gewoon leren ertegen te kunnen met zulke woorden vernederd te worden.
Dat zegt Mario ook. en hij zegt dat hij van me houdt. Ik geloof hem. Hij zal niets doen wat ik niet prettig vind, althans niets wat werkelijk tegen mijn hart ingaat. Ook dat geloof ik van hem. Temeer omdat hij voorlopig nog liefdevol en teder is. Ik voel me goed en geborgen bij hem, ik vertrouw hem volledig.
Wat Mario zei, klonk goed. wat hij deed, was minder goed. Maar dat registreerde ik pas veel later. Veel te laat.
Was het naïviteit? Of gewoon alleen maar het onvervulde verlangen naar de geschikte man, naar een leven als slavin, waar door ik het bij hem uithield, weken, maanden, jaren lang? Had ik gelijk aan het begin al moeten merken dat eigenlijk niets in zijn persoon beantwoordde aan wat ik nodig had en zocht?
Wat me misleidde, was zijn gestalte, was zijn postuur en zijn stem, was de uitdrukking in zijn ogen, die ik als liefdevol en toch ondoorgrondelijke ervoer. Was het in werkelijkheid kilte die uit zijn ogen sprak?
Wat me misleidde, was ook de beslistheid waarmee hij me na onze eerste nacht meedeelde dat ik bij hem moest blijven en mijn huis en vrienden moest opgeven. Of was het in werkelijkheid helemaal geen beslistheid, maar pure angst die hem ertoe bracht mij te isoleren van alles wat mijn verleden vormde?
Zijn blik was duidelijk en beslist, omdat ik wilde dat die duidelijk en beslist was. Zijn hand was sterk, omdat ik een sterke hand nodig had. Zijn bevelen waren goed, omdat ik eindelijk bevelen wilde opvolgen.
Maar dat begreep ik toentertijd niet. Ik geloofde aangekomen te zijn op de plaats waar ik altijd heen gewild had.
Mario en ik waren het erover eens: ik moest een gewillige, onderworpen slavin zijn, de dienares van mijn heer en meester.
Zo had ik het toch gewild, of niet? ‘Ja,’ zei ik vol overtuiging.
Het bestaan van een slavin kan heel uiteenlopende verschijningsvormen hebben. Het kan liefdevol geconstrueerd zijn, subtiel en meelevend op de desbetreffende persoon toegesneden zijn, fantasievol ingevuld worden en zo tot een bevrediging voor beiden worden. Het kan echter ook gereduceerd worden tot het puur functionele. En zich in dienst van een meester stellenkan passiviteit betekenen, pure overgave. Maar het kan ook het tegendeel betekenen, namelijk activiteit en dienstbaarheid in elke denkbare vorm.
Het laatste had Mario met mij op het oog.
En tot zo’n slavin maakte hij me dan ook, doelbewust en consequent.
Jammer genoeg was dat helemaal niet het slavinnenbestaan wat ik nodig had om gelukkig te worden.
Maar dat wist ik, zoals gezegd, op dat tijdstip nog niet. En Mario interesseerde het niet.
Mijn gedaantewisseling tot slavin voltrok zich onder zijn gewetensvolle, bijna perfecte regie.
Ik wachtte hem ‘s avonds op in hoge laarzen, in een leren korset en netkousen met jarretels. Om mijn hals en aan mijn polsen droeg ik ketenen of ten minste leren manchetten, waaraan op elk tijdstip ketenen bevestigd konden worden. Een leren string-tanga toonde duidelijk wat niet verhuld mocht worden. Ik was steeds zwaar opgemaakt, droeg mijn haar hoog opgestoken en had mijn vingernagels rood gelakt.
Zo had hij zich zijn slavin in zijn fantasieën en dromen altijd voorgesteld. En zo zag ik er al snel na de ondertekening van mijn slavencontract uit.
Getrouw aan mijn bestemming knielde ik voor hem neer, zodra hij ‘s avonds het huis betreden had. Hij kwam er niet eens toe rustig zijn jas uit te doen. Ik deed zijn broekriem los, trok zijn ritssluiting naar beneden, trok zijn broek omlaag…
En dan volgde wat mij als slavin de hoogste lust zou moeten geven, maar me nooit werkelijk lust verschafte: het lid van mijn meester in mijn mond.
‘Jij geil loeder,’ kreunde hij.
Ik slikte mijn weerzin tegelijk met het sperma van mijn meester door.
Slavin zijn, dat had ik tenslotte toch gewild, of niet soms?
Ik probeerde de zaak goed te praten. Mijn weerzin verklaarde ik als een heel normale reactie, die ik nog moest overwinnen. Want het kwam toch nergens anders op neer als je slavin was: de eigen gevoelens telden niet, het enige wat van betekenis was, waren de lusten van de heer en meester. Ik was nu met de werkelijkheid geconfronteerd, en die zeg er gewoon niet zo uit als ik me in mijn dromen had voorgesteld. Wat had ik dan verwacht? Moest hij dan altijd datgene doen wat ik op dat moment wenste? Ik wist toch heel zeker dat dat de grootste fout geweest zou zijn die hij had kunnen begaan: te doen wat ik wilde. Nee, dat wilde ik ook niet echt!
Ik wilde me schikken. Ik wilde doen wat hij verlangde. En ik wilde het zo goed doen als voor mij maar mogelijk was.
Het lukte me blijkbaar mijn meester tevreden te stellen. Want enige tijd later werd ik tot likslavin bevorderd. Deze positie gaf met het recht mijn gebieder elke ochtend zachtjes met mijn tong te wekken en hem op deze wijze te reinigen, om hem zo een bad te bespraken. En het recht om ‘s avonds op dezelfde manier elke speelt, elke porie van zijn meesterlijke lijf te verwennen.
Ik hapte naar lucht onder zijn gewicht, als hij mij zijn gebiedende achterste in het gezicht drukte.
‘Goed likken, slavenvarken, helemaal met je tong erin, jij hoerenkut…!’
De smaak van de meester was bitter en ranzig.
Ik voelde weerzin. Het beviel me allemaal niet. Helemaal niet.
‘Het is normaal,’ zei ik tot mezelf, ‘dat ik me ertegen verzet. Maar ik moet hem gehoorzamen.’
Mijn borsten bond hij met snoeren af, hij rustte me uit met buikflessen en fotografeerde me vervolgens. Hij schoor me en liet ringen aan mijn schaamlippen bevestigen. Hij sprak met andere gebieders over de nieuwste behandelingsmethoden met hete was en elektroshocks.
Hij werd voor mij steeds enger. Maar ik bleef.
Ik had het tenslotte gewild, of niet soms?
Soms dost hij mij uit als een hoer, maakt kettingen aan me vast en rijdt met mij naar bepaalde plaatsen in de stad of in het bos, die aan insiders bekend zijn. Daar stopt hij. Daar staan ze al. Gluurders en hoerenlopers, en ze wachten wat de nacht hen brengen zal.
‘Kijk maar goed naar haar, die hoerenkut! Ze is er dol op om jullie eens flink af te zuigen!’ Zo prijst Mario me aan.
Ik krimp ineen. Elke keer als hij dat woord zegt: hoer. Ik haat het. Ik haat ook mijn uiterlijk, deze manier van gehoorzamen. Begerig grijnzende monden, graaiende handen, stijve penissen, in mijn mond, in mijn lichaam.
Mario, mijn meester, is tevreden. ‘Nou, heb ik mijn lustdienaresje niet goed opgevoel? Ze volgt me als een hondje. Ze slikt alles tot de laatste druppel door.’
Ik slik.
Dat heb je toch nodig, of niet soms?
Strelen is voor een slavin taboe. Ze wordt niet gestreeld, ze mag niet strelen.
Voor mijn eigen bevrediging ben ik op mezelf aangewezen. En toch mag dat alleen onder zijn strenge blik gebeuren.
Overbodig gefoezel aan zijn eigen lichaam kan hij niet verdragen. Ter zake! Mario, de gebieder: gereduceerd tot een lichaamsdeel. En dat hoort in mijn mond, tussen mijn borsten, diep in mijn buik, van achteren, van voren, van opzij. ‘Dat krijg je slavenhoer, daar alleen heb je recht op.’
Soms lik ik niet begerig genoeg. Soms kom ik in spijkerbroek op hem af in plaats van in jarretels. Soms wil ik zijn mond kussen, niet alleen zijn penis.
Voor deze ongehoorzaamheid krijg ik zweepslagen. Wreed, ruw en overal: op mijn borsten, mijn buik, op mijn rug en tussen mijn benen.
‘Dat gebeurt er met een ongehoorzame slavenkut!’ brult hij en grijpt tussen mijn benen om te testen ‘of je al flink nat bent’.
Want van zoiets word ik toch geil, of niet soms?
En daarna is het eindelijk weer eens tijd voor zijn gebiedende lid. Maar nog niet helemaal. Eerst moet ik bedelen: ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, neuk me! Ik ben zo geil. Ik ben toch je geile slavenvarken.’
Gekreun. Steeds luider. Dat wil Mario horen.
Kreunen, daar gaat het om. Of het nu uit echte lust is of alleen gespeeld, dat kan hem niet schelen.
Het gekreun heeft hij nodig om klaar te komen, voor zijn bevrediging.
Dus kreun ik. Want daarvoor ben ik immers op de wereld, om de wellust van mijn meester te verhogen, of niet soms?
Ik stoot lustkreten uit, klein en scherp, ik kronkel woest en schreeuw steeds luider. Lustkreten die geen lustkreten zijn.
Maar ik wilde slavin zijn, dus is dat hier mijn bestemming, is dat hier mijn hoogste lust, *de* bevrediging. Ja, juist omdat het moeilijk is om het allemaal te verdragen. Alleen zo wordt mijn deemoed, mijn gehoorzaamheid bewezen.
Deemoed. Ik denk aan Jackson. Vele, vele jaren na mijn ontmoetingen met Jackson, eindelijk tot slavin geworden, lig ik ‘s nachts weer mijn meisjesdromen te dromen. Jackson was liefdevol, hard en rechtvaardig. Jackson; het ging hem om *mij*. En toch was ik aan hem onderworpen, of juist daarom. Mario beschouwt het als een verlies van zijn macht en autoriteit als hij teder met mij is of zich zelfs een moment lang om mij en mijn lust bekommert: zoiets heeft een meester tenslotte niet nodig. Is dat werkelijke autoriteit? Is dat macht? Moet een slavin een man als Mario verdragen en daarbij bevrediging vinden?
Maar hoe staat het met Jackson? Is er geen kans op dat mijn dromen over hem werkelijkheid worden?
Het zal er wel op uitdraaien. Zoiets als Jackson bestaat helemaal niet. Dat moet ik toch begrijpen. Mijn gesprekken met de vrouwen toonden het al heel duidelijk aan: je moet je aanpassen, je mag ten hoogste een ritueel vervullen. Alleen Sabine had nog dromen, waarvan sommige erg op de mijne leken, maar die had ook al geen man.
En zo onderwerp ik me aan de realiteit en aan hem, Mario, mijn meester, aan zijn bevelen, aanzijn macht.
Twee jaar lang dien ik. Dag na dag. En in het bijzonder ‘s nachts.
Mijn gebaren veranderen, mijn gezichtsuitdrukking, mijn taalgebruik. Mario dringt me de uitstraling op die ik hebben moet, die hm bevalt: ik beweeg me als een straathoer. Ik ben een slavin, een lustdienares, een hoer; hoe wil je het vandaag hebben?
Twee jaar, waarin ik niet gestreeld werd.
Maar dat is nu eenmaal het lot van een slavin.
Twee jaar, waarin ik kreun, kuch, schreeuw, kronkel van lust; twee jaar toneelspel voor de meester.
Mario bevalt het. Zijn eisen zijn beperkt en gemakkelijk te vervullen. Ik word steeds leger. Maar een slavin moet leeg zijn, zodat ze alles kan opnemen wat van haar gebieder vandaan komt.
Dat wil ik toch, of niet soms?
Huilend gaf ik me aan de ontzetting over mijn toestand over, toen plotseling de deur van mijn kerker openging. Het was Dalville. Zwijgend kwam hij binnen, zette de kaars, waarmee hij zichzelf onderweg bijgelicht had, op de grond en stortte zich als een beest op me. Op brute wijze onderwierp hij mij aan zijn geile begeerte en bevredigde zijn wellust. Toen pakte hij zijn lamp op, zonder een woord te zeggen, verliet mijn kerker en deed de deur weer stevig op slot.
De volgende dag liet Dalville zich geen enkele keer zien. Maar tegen middernacht kwam hij weer en behandelde me net zoals de vorige avond.
Ik schraapte al mijn moed bijeen en smeekte hem mijn lot te verzachten.
‘Waarom zou ik?’ antwoordde hij. ‘Je verwacht toch niet dat ik je beloon voor het feit dat ik me met je vermaken kan? Moet ik je soms op mijn knieën om je gunsten vragen, opdat jij dan van mij allerlei tegenprestaties kunt verlangen? Nee, ik hoef je nergens om te vragen. Ik neem gewoon wat ik wil. Ik maak alleen van mijn recht over jou gebruik. Dat ik je gebruik, heeft niets met liefde te maken. Ik gebruik een vrouw alleen op grond van mijn behoeften, zoals je een po gebruikt als je daartoe de behoefte hebt. Als ik een vrouw door mijn geld of mijn aanzien volgens mijn wensen gewillig maak, hoef ik toch geen tederheid te gebruiken? Dat ik krijg wat ik wil hebben, heb ik alleen aan mezelf te danken, en van een vrouw verlang ik alleen dat ze zich aan me onderwerpt. Ik zie daarom geen reden om haar bepaalde gevoelens te schenken…’ *
* Uit: Markies de Sade, Justine.
Na twee jaar dienen staat de volgende bevordering op stapel. Ik zal tot toiletslavin verheven worden. Dat wil zeggen dat ik genieten mag van de champagne van mij meester. En wel zo vaak als hij die wil lozen. ‘Doe je slavenmondje maar lekker open!’
Ik slik.
Hij lacht.
‘Daar heb je op gewacht, nietwaar, mijn begerige slokop?’
Nee! Nee! Nee!
Pas nu, eindelijk, word ik wakker.
Nee, dat heb ik absoluut niet gewild! en ik zal het ook nooit willen.
Maar ik wilde toch slavin zijn, wilde me toch onderwerpen?!
Maar niet zo, niet op deze manier. Heel anders.
Ik wilde werkelijke kracht, geen gevoelloze kwellingen. Ik wilde uit eigen beweging deemoedig zijn, z]niet tot een hoer afgericht worden. Maar vooral: ik wilde liefde!
Mario’s ontzette blik, als ik wegga. Hij verwijt me dat ik hem met valse voorwendsels in deze relatie gelokt heb. ‘Je bent helemaal geen slavin! Een paar zachte klapjes, ja, maar o wee als het menens wordt.’ Hij hoont: ‘Wensdromen onder de dekens.’ Ik zou de werkelijkheid niet kunnen verdragen.
Misschien heeft hij gelijk. Waarschijnlijk zelfs. Wensdromen, die tegen de realiteit niet bestand zijn. Maar hoe het ook zij: weg van hier, alleen maar weg van hier! Weg uit deze koude, liefdeloze atmosfeer. Ik ben geen hoer, ik ben geen lustdienares! Ik wil geen meester.
Ik ben helemaal in de war. Al weer. Ik was het al toen ik nog niet eens wist wat mijn fantasieën betekenden. En nu, nu ik alles een naam geven kan, nu ik met vrouwen heb gesproken die op mij lijken, en nu ik twee jaar lang het leven van een slavin geleid heb, ben ik het meer dan ooit.
Ergens gaat er iets verkeerd. Met mijn gevoelens, met mijn wensen. Maar vooral met de praktische invulling van mijn wensen.
Ik zoek alweer mijn toevlucht in de wereld van de boeken. Boeken over het masochisme natuurlijk.