geselecteerd als gefixeerd bericht

“Onderdanig wil ik zijn” door Sina-Aline Geisler.
Hallo! Leuk dat je mijn web-log bezoekt. Veel van mijn “zusjes” vragen mij of ze het boek van Sina-Aline Geisler van me mogen lenen. Wel, je begrijpt best dat ik dat goed vind. Helaas is het boekje zo vaak uitgeleend dat het er niet meer uit ziet. Ik ben het gaan overschrijven omdat ik het boek niet meer kan vinden. Niet bij de grote boekenwinkels maar ook niet bij de tweedehands boeken winkels. Jammer.

Daarom heb ik het nu in deze web-log gezet. Ik weet niet of dat wel mag. Als dat niet zo is, zeg het me ajb dan haal ik het er weer snel vanaf.

Ik zou het leuk vinden als vrouwen die net als ik, masochistisch zijn deze web-log willen gebruiken om te vertellen wat ze van ieder hoofdstuk vinden. Begrijp me goed. Ik wil niet gaan discussieren met elkaar maar gewoon elkaars mening lezen. Ik zie op de BDSM logs vaak hele discussies die dan niet meer over het onderwerp gaan maar over elkaars mening. En dat vind ik niet zo leuk. Het loopt vaak uit op ruzie enzo. Dat vind ik zo jammer. Daarom graag alleen maar je mening over het boek. Liefst per hoofdstuk.

O ja, dit heb ik dus voor vrouwen geplaatst. Heren zijn natuurlijk ook welkom, maar er zijn geen plaatjes, dus jullie haken vanzelf af. Maar wil je please, please de poll invullen?

Waarschuwing!! Niet alleen de echte liefhebbers van BDSM of seks beluste mensen lezen het boek.

Veel leesplezier!

Een masochistische vrouw

15 November 2006
By on 05:25
counter

ADeiLAR8Ep4kkc7xjNoKH1QACJQA

14 January 2006
By on 15:11
1 Masochisme

Masochisme. Wie het woord positief gebruikt, oogst heftige reacties. Wat is daar de oorzaak van? Wat gaat er eigenlijk achter dit begrip schuil? Masochisme. Een begrip dat bij iedereen spontane associaties oproept: lust door lijden, onbeheerst verlangen naar pijn, naar onderwerping, naar seksuele vernedering, vrijwillig aannemen van een slavenbestaan… En bijna automatisch rangschikken we deze beelden in het rijk van het verbodenen, het abnormale, het verdorven, verbannen ze naar de duisternis, naar het isolement. Masochisme en masochistische mensen. Volgens de gangbare mening is het iets zieks, iets pervers, zonder meer ook iets betreurenswaardigs, maar ook heel verdacht en ergens ook gevaarlijk. Een onderzoek van de Amerikaanse seksuologen uit 1987 toont aan de ‘normaal’ voelende mensen zich veel gemakkelijker kunnen inleven in de driften van sadistisch aangelegde mensen dan in die van masochisten. Voor het ontstaan van een masochistische aanleg bestaat een gangbare verklaring: sadisten zijn mensen die willen onderwerpen omdat ze als kind onderdrukt werden en nu de behoefte aan wraak hebben. De lust om te kwellen schijnt heel wat begrijpelijker dan de lust gekweld te worden. Een beetje sadisme heeft iedereen in zich. En iedereen heeft dit trekje min of meer ontzet bij zichzelf vastgesteld. De driften van een sadistisch mens zijn daarom begrijpelijk, invoelbaar, ten minste binnen zekere grenzen. Intussen lijkt het onvoorstelbaar dat een mens gekweld zou willen worden. Ieder weldenkend mens moet toch de eigen onderdrukking afwijzen, moet zich tot het uiterste ertegen verzetten om vernederd te worden, lichamelijk gekweld te worden! De wens van iemand – met een gezond verstand en in het bezit van zijn verstandelijke vermogens wel te verstaan – om lichamelijk en misschien zelfs geestelijk gekweld te worden, gaat niet alleen tegen onze morele voorstellingen en de wetten van de menselijke waardigheid in, maar ook tegen elk natuurlijk gevoel. Masochisme is iets onbegrijpelijks. En omdat het masochisme en de aanhangers ervan (zowel mannen als vrouwen) zich nog altijd in het donker, in het rijk van het verboden en het verdrongen, van het moreel veroordeelde bewegen, is het geen wonder dat ze onze maatschappij vreemd zijn, dat ze angst inboezemen, en daarom afgewezen worden. Ik wil graag mijn bijdrage leveren om de maatschappelijke angsten en vooroordelen tegen het masochisme te bestrijden en af te breken. Dit kan alleen door een zorgvuldig voorlichting gebeuren, door de misverstanden langzaam uit de weg te ruimen. Voorwaarde hiervoor is weer dat de sluier waaronder het vreemde verborgen is, opgelicht wordt, dat toegang wordt verleend tot de geheimen die deze liefdes- en levensvorm omhullen. Want in feite is het masochisme niet anders: een levensvorm. En wel een dat net zo goed bestaansrecht toegekend zou moeten worden als zoveel andere. De vraag ‘Wat is masochisme’ is niet te beantwoorden Er bestaat namelijk voor deze levens- en liefdesvorm net zo min een algemeen geldende definitie als voor andere vormen van seksualiteit en de omgang tussen mensen. Masochisme is altijd precies datgene wat een bepaalde persoon ervan maakt. Het begrip kan net zo goed de begeerte naar absolute onderwerping betekenen als de behoefte zich in het duidelijk afgeperkte gebied van de seksualiteit onderworpen te gedragen; het kan duiden op genot door zuiver lichamelijke pijn, maar ook op verlangen naar geestelijke vernedering. Masochisme is niet meer dan een redelijk bruikbaar verzamelbegrip, een lege huls die iedereen met zijn specifieke gevoelens en wensen zal vullen. Masochisten zijn onderling net zo verschillend als mensen met ‘normale’ gevoelens dat zijn. Ieder heeft andere voorliefdes, stelt andere prioriteiten, heeft andere aversies. Ieder is een individu en vertegenwoordigt als zodanig een complex pakket van morgelijkheden, ervaringen en wensen die op duizend manieren te combineren zijn. En toch moeten we wel bij dit problematische begrip blijven, als we de zaak willen begrijpen. Het heeft tenslotte een algemeen geldige kern, die onafhankelijk is van individuele ervaringen en gevoelens. Hoe het masochisme zich in iemands leven openbaart, hoe het beleefd en gevoeld wordt, beantwoord ieder mens, elk leven anders en altijd alleen voor zichzelf. Om het fenomeen masochisme grondig te beschrijven, zou je de interesse en de tijd moeten opbrengen je in vele honderden verschillende, volgens wetenschappelijke criteria geselecteerde gevallen te verdiepen. Dat zou het kader van dit boek ver te buiten gaan, en ook niet overeenkomen met mijn bedoeling. Ik wil me niet richten tot de vakgeleerde. Mijn boek richt zich veel meer op iedereen die bereid is in de geheime gevoelswereld, in het verborgen leven van masochisten onder te duiken. Preciezer: het gaat om masochistische vrouwen. Ja, die zijn er, zonder twijfel. En er zijn er steeds meer. Of liever: er zijn er helemaal niet meer dan vroeger, maar steeds meer masochistisch ingestelde vrouwen komen tegenwoordig uit voor hun gevoelens en leven ernaar. Het tot uiting laten komen van je masochisme is niet bepaald een lichtzinnige onderneming. Want nog altijd rust er een te groot taboe op masochisme, stuit het te hard tegen de grenzen van sociale vooroordelen en maatschappelijk normen. Dat geldt dubbel en dwars voor het masochisme van vrouwen. Een masochistische vrouw die haar geaardheid openlijk erkent en tot uiting laat komen, is zeker tegenwoordig een schandaal. Een verschijning die buitengesloten wordt, afgeschoven in het gebied van het extreme en perverse. Men laat haar zoveel mogelijk links liggen. Om slechts een voorbeeld te noemen: terwijl in de boulevard bladen de Domina, dus de sadistische vrouw, al een alledaags thema is geworden en zelfs al bijna tot de normale verschijningsvormen van een moderne, tolerante maatschappij behoort, is daarin over het thema masochistische vrouwen nauwelijks iets te vinden. (Jean: dit boek is uitgebracht in 1990, tegenwoordig zijn programma’s op tv die masochistische vrouwen in een redelijk daglicht laten zien niet meer ongewoon). En daar is een goede reden voor. De Domina’s, trotse, in leer gehulde en in lange laarzen rondstappende vrouwenfiguren, die de aan hun voeten neergeknielde man eens flink leren om bang te zijn, passen wonderwel bij de huidige tijdgeest. De vrouw, niet langer onderdrukt, maar nu geëmancipeerd, fungeert als bevelhebber; de man, jarenlang patriarch en pasja, nu op de grond, smeekt om genade. Dit beeld zou bijna een grondthema van de emancipatiebeweging kunnen zijn en is als zodanig ook geaccepteerd. Zo wordt ook de masochistische man in het algemeen geaccepteerd. Nu krijgt hij eindelijk wat hij verdient, als voorbeeld van al zijn lompe en van macht bezeten seksegenoten… Decorwisseling: de man als Dominus met een sadistisch, genadeloos gezicht. Zijn hand en zweep geheven tegen de weerloze zwakke vrouw, die aan zijn voeten knielt, vol angst voor de kwellingen die haar te wachten staan. Niet alleen bij de verontwaardigde feministische moralisten, maar ook bij de gemiddelde huisvrouw klinkt luide ontzetting bij het zien van een dergelijke voorstelling. Zo zijn ze nu eenmaal, de mannen: ze degraderen de vrouw tot een lustobject, gebruiken haar seksueel en onderdrukken en discrimineren haar. Een pluim voor de feministische vrijheidsstrijd: geen vrouw mag ooit meer door een man in deze vernederende, onterende houding gedwongen worden. Rechtop lopen, rechtop staan, zelfbewust, zelf beschikkend, naast hem, niet onder hem… En dan is er plotseling, totaal onverwacht, een zacht vrouwelijk stemmetje, dat onzeker, beschaamd, zelfs bijna angstig verkondigt: ‘Maar ik wil het. Ik wil me aan mijn man onderwerpen…’ Ontzetting alom. Maar goed. Dit ene stemmetje kun je in de wind slaan. Een afgedwaalde, verwarde geest, wat anders? Dat komt voor en brengt de principes van de vrouwelijke emancipatie tenslotte niet in gevaar. Maar dan is er een tweede stem, al wat luider dan de eerste, een derde, vierde, vijfde… Zelfbewust, geëmancipeerd, zonder angst bekeken ze: ‘Ik geniet ervan me te onderwerpen!’. Paniek. Ontzetting. De emancipatie is in gevaar. De principes verraden. Het assepoestercomplex – goedklinkende omschrijvingen zijn snel voorhanden, grijpt om zich heen in het kamp van de vrouwelijke vrijheidsstrijders. De nederlaag van de emancipatiebeweging? Masochistische vrouwen die vandaag de dag van hun voorkeuren getuigen, beschrijven zichzelf zonder uitzondering als uiterst geëmancipeerde, door en door vrije, zelfbewuste vrouwen. Sommigen van hen zijn in hun carrière succesvoller dan hun mannen. Velen zijn politiek meer dan gemiddeld geëngageerd, strijden tegen macht en onderdrukking. En buigen zich;’s avonds zelfbewust en nederig naar de wil en hand van hun man. Een tegenstrijdigheid? Ik wil graag een antwoord geven op deze vraag aan de hand van de ervaringen en levensverhalen van masochistische vrouwen die in dit boek zijn opgetekend. Ik wil graag hun verlangens en wensen, hun angsten en twijfels begrijpelijk maken. Hun eenzaamheid in hun streven naar tolerantie en begrip. Hun teleurstelling en verwarring. Hun zoeken naar begrip van de omgeving. Ik wil graag aantonen dat in werkelijkheid alles anders is….

16 February 2005
By on 12:13
2 Fascinatie door de angst

Fascinatie door de angst Kinderjaren van een masochist De riem. Het gladde leer voelt koud in mijn hand. Vanavond… Je blik was duidelijk geweest, tevoren, bij het afscheid aan de deur. Vanavond zal ik je sterkte gewaarworden, je hartstocht en het gladde koude leer. Vanavond… Angst en fascinatie. Opwinding en beklemming. Alles in mij is in grote beroering. Onrust. Verwachting. Vanavond… Je slavin zal ik zijn, onderworpen, nederig, gehoorzaam, overgeleverd, jouw bevelen gehoorzamend, de pijn verwachtend, Vanavond… In de spiegel zie ik mijn van opwinding rood geworden gezicht. De blik verward, vol liefde vol trots: ik ben een masochistische vrouw. Onderdanig wil ik zijn, jou gehoorzamend, mijn geliefde. Pijn wil ik, en tederheid. Hardheid wil ik, en zwakheid. Dat was altijd al zo. Sinds mijn jeugd. Beelden uit lang vervlogen dagen komen in me naar boven; twee kleine meisjes spelen in het zand, de wereld vergetend. De kleinere, die met de donkere vlechten, ben ik. Dan plotseling gegil van angst. Paniek. De beroemd- beruchte Wolvenbende bestormt de speelplaats. Redde wie zich redden kan; want wie in de klauwen van de bende raakt is verloren. Ons luide angstgeroep overstemt het geratel van de kettingen, dat de jongens losjes aan hun leren riemen hebben hangen. We rennen zo snel als we maar kunnen, schreeuwend en krijsend. En zinken daarna, ternauwernood aan de dood ontkomen, opgelucht in de armen van onze moeders. Opnieuw goed afgelopen, denk ik. En toch die verboden gedachte, heel verborgen, heel zachtjes: wat als het een keer niet goed gaat? Als ze me te pakken krijgen? Wat zouden ze dan met me doen? Ik zag mezelf liggen in het hol van de bende, geboeid, hulpeloos overgeleverd aan de jongens. Richie, hun aanvoerder en de sterkste van allemaal, zou recht over me spreken, een oordeel vellen. Pijn… Bij Martin, de kleine jongen die beneden woonde, hadden ze hun teken, de doodskop ingebrand. Of ze dat ook bij mij…? Mijn god, wat een pijn! Als ik nu de volgende keer te langzaam zou zijn… Maar nee, nee! Hersenspinsels, gefantaseer. Ik was altijd snel genoeg. In de eerste klas van de basisschool kwam het terug, dit gevoel. Dit vreemde gevoel, zo verontrustend, en zo verboden. We hadden met z’n drieën gespijbeld en waren bij het rondstruinen op een sloperij gepakt. De vader van de ene jongen haalde ons op. Met een woedend gezicht beval hij ons de auto in te gaan. Nauwelijks waren we bij hem thuis aangekomen of hij greep zijn zoon en trok hem aan zijn oor naar de zijkamer. En terwijl we met z’n tweeën stilletjes op de komst van onze ouders wachtten, klonken naast ons de kreten van pijn van onze kameraad, geschreeuw, gesmeek. En het meedogenloze slaan. Medelijden overviel ons, en angst. Maar weer was er bij mij ook iets anders. Een gevoel van spanning en opwinding. Ik rekende er vast op ook afgeranseld te worden en had me daar al helemaal op ingesteld. Maar er gebeurde niets. Mijn vader toonde begrip en vertelde vrolijk over zijn eigen kwajongensstreken. Geluk gehad. Maar ergens was ik teleurgesteld… De uren op zondagochtend in het bed van mijn ouders schieten me te binnen. Mijn vader vertelde me verhalen over boze mannen, die kleine meisjes het bos in slepen. Verhalen die me ervan moesten weerhouden met vreemden mee te gaan. Ik luisterde gefascineerd. De boze mannen konden me niet boos genoeg zijn. In een happy end was ik niet buitengewoon geïnteresseerd. Op een keer verdwaalde ik werkelijk een keer in het bos. Ik liep doelloos in het rond, terwijl het donker werd. Vogelgeluiden, het ruisen van de bladeren, een onheilspellende sfeer. Ik rekende erop nu door een van de boze mannen gevangen genomen te worden. Er was werkelijk een man die me vond. Maar die drukte me dolgelukkig aan zijn borst, blij dat me niets overkomen was: mijn vader. In de taalles schreef ik deze gebeurtenis op. Maar ik gaf er een andere afloop aan: mijn vader is daarin weliswaar blij dat hij me terugheeft, maar legt me over zijn knie omdat ik zonder toestemming van de groep was weggelopen. Mijn ouders lazen het verhaal enigszins geïrriteerd. Mijn leraar zei dat hij me ook een pak rammel gegeven zou hebben. De rest van het schooljaar was ik verliefd op mijn leraar. Angst en fascinatie. Ze verschijnen zodra er iets over slaan te horen of te zien is. In films, in boeken, verhalen. Opgewonden en diep getroffen vol ik een film op tv met de titel ‘Twee jaar vakantie’. Een schoolklas wordt tijdens een schoolreisje op zee ontvoerd. De scholieren muiten en willen vluchten, maar hun opstand wordt neergeslagen. De twee leiders worden op de boeg van het schip aan een mast vastgeketend en met een zweep afgeranseld. De anderen moeten toekijken. Ik volg de scène gefascineerd, kan me nauwelijks nog rustig houden op de bank in de woonkamer van mijn ouders en wilt toch precies elk detail in me opnemen. Ik weet niet wat er met me gebeurt. Het lijkt alsof ik door elke slag zelf getroffen word, maar al weer maakt zich geen ontzetting van mij meester. De filmscène fascineert me en laat me niet meer los. Ik speel de scène na in mijn dagdromen. Nu hang ik aan de mast, deze keer treffen mij de riemen van de kat met de negen staarten. Ik ken de paar woorden die in deze scène gewisseld worden uit mijn hoofd, nu nog. Ik ken het aantal slagen, kan met het ruisen van de onbarmhartig neerknallende zweepslagen voor de geest halen, de pijnkreten… Mijn vader sloeg bij zulke scènes beschermend zijn arm om me heen. ‘Kijk’, zei hij, ‘zo erg moest je vader ook lijden. Dat zal je nooit gebeuren! Daar zorg ik voor. Ik zou je nooit slaan, mijn kleine meisje. Al die dingen moeten jou bespaard blijven!’ Onprettige herinneringen kwamen in hem op als hij gewelddadige scènes zag. Wat had hij als kind geleden! Door zijn vader werd hij met en leren riem geslagen, naakt, over een stoel gebogen. Bijna dagelijks. In plaats van zijn zes zusjes met al hun streken, want tenslotte hoor je meisjes niet te slaan, ook niet in de tijd van het fascisme, dus moet de enige zoon van de familie boeten. Mijn vader leed onder zijn ellendige jeugd. Die liet hem niet los. Telkens weer vertelde hij over zijn streken en de veel te onrechtvaardige straffen, de veel te harde klappen die hij had gekregen. ‘Wat heb jij het toch goed,’ zei hij meestal tot slot. ‘Altijd al heb ik me voorgenomen: mijn kind zal nooit ofte nimmer een pak slaag krijgen.’ Ironie van het lot: de gelukkig gespaarde, van elk ouderlijk geweld verloste zoekt naar datgene waartegen ze beschermd moet worden. Onbewust. Als onschuldig klein meisje weet ze niets van al die dingen. Maar ze richt haar spelletjes erop, onbewust en toch heel doelgericht. Dan komt de tijd van de heimelijke spelletjes. Met iedere jongen die in aanmerking komt om mee te spelen. Hij moet groter zijn en sterker, al het andere is niet zo belangrijk. En de afloop moet kloppen, de rolverdeling. Ik ben altijd een kind in een gesticht, opstandig en brutaal. Ik luister naar gebod noch verbod. Op het laatst vlucht ik uit het strenge tehuis, en wordt natuurlijk gepakt. Op deze scène komt het aan. Pas nu wordt het spannend. Pas nu zal ik mijn beloning krijgen. Ik weet dat natuurlijk allemaal nu nog niet. Maar ik zorg er wel voor dat het tot een strafsessie komt. Het gevluchte gestichtskind wordt naar de directeur van het gesticht gebracht. Het moet geknield op zijn veroordeling wachten. Zo zijn mijn spelregels nu eenmaal. De strafpreek volgt en, eindelijk, het uitspreken van de strafmaat. Natuurlijk moet het een lichamelijke straf zijn. Wat een teleurstelling als een gestichtdirecteur niets anders invalt dan huisarrest of een verbod om tv te kijken! Dan word ik ongeduldig. Ontvluchte gestichtkinderen worden geslagen, dat weet ik met mijn zeven jaar al heel precies. In dat geval moet de scène herhaald worden, tot de straf juist is. In het openbaar, in de tuin van het gesticht, word ik aan een paal gebonden en krijg een vastgesteld aantal stokslagen, die luid mee moet tellen. Deze praktijk heb ik aan een film ontleend. Ik krijg nooit genoeg van dit spel. Jarenlang niet. Ook niet als ik er al bijna te oud voor ben geworden. Wel wordt het steeds moeilijker geschikte medespelers te vinden. Op een dag hoor ik over opvoedingsgestichten, waar strenge maatregelen om ‘stoute’ kinderen op te voeden aan de orde van de dag zouden zijn. Zogenaamde heropvoedinggestichten. Een kind van de buren was met opname in een dergelijk gesticht gedreigd. Dat was het! Daar wilde ik heen! Maar hoe kon ik dat bereiken? ‘Stoute kinderen’, legde mijn moeder uit, ‘dat zijn kinderen die altijd liegen, die stelen en elkaar slaan. Dat zijn kinderen die hunouders zoveel zorgen baren, dat ze er geen raad meer mee weten. Jij bent een lief kind. Jij hoeft daar niet heen, maak je maar geen zorgen.’ Nu was alles duidelijk. Ik wist wat me te doen stond, en verspilde geen tijd. Om te beginnen bestal ik mijn ouders, dan voor alle zekerheid ook nog mijn lerares. Ik spijbelde van school, vervalste zelfs het handschrift van mijn moeder voor een toestemmingsbriefje, bleef tot slot veel langer van huis weg dan ik mocht, en wachtte vol blijmoedig vertrouwen af wat er ging gebeuren. Niemand kon me nu meer afhouden van het verbeteringsgesticht, dat stond voor mij wel vast. Ten onrecht. Mijn ouders vroegen zich in tranen af wat ze dan wel fout gedaan konden hebben, troostten me en verhoogden mijn zakgeld. Een consult bij een gezinstherapeut was de bekroning van het geheel. Een misser. Ik liet geen gelegenheid voorbijgaan mijn ouders duidelijk te maken hoe belangrijk een strenge opvoeding voor mij was, maar ze wilden me absoluut niet serieus nemen. In dit opzicht nam niemand me serieus. En zo besefte ik al heel vroeg dat mijn behoefte aan strengheid nogal merkwaardig was en dat ik die maar beter voor me kon houden. Gen opvoedingsgesticht, geen autoritaire ouders, geen boze mannen die me wegsleepten. Zelfs de Wolvenbende kon me geen schrik meer aanjagen, sinds de leden door de broers van een slachtoffer naar het politiebureau meegetroond waren en zich nu netjes moesten gedragen. Op het gebied van strengheid had je aan de realiteit niet veel, dat werd voor mij steeds duidelijker. Wat overbleef, was de vlucht in de onbegrensde wereld van de fantasie. En het weinige dat boeken en films te bieden hadden. De avonturen van Tom Sawyer van Mark Twain boeiden me. Vooral enkel scènes die voor de meeste lezers vermoedelijk niet erg opwindend zijn maar voor mij… Gelijk aan het begin, al op de eerste bladzijde, krijgt Tom van zijn tante een pak slaag omdat hij van de jam snoept, en later, uit liefde voor een medescholiere, bekent hij op school een vergrijp dat in werkelijkheid door haar, de aanbedene, begaan is. Hij krijgt daarvoor een geduchte afstraffing met het rietje. Opwindend! Maar nog meer hield ik van de boeken van Karl May. En in het bijzonder was ik gecharmeerd van Winnetou. De verhalen over het apacheopperhoofd fascineerden me in twee opzichten. Allereerst hield ik van de figuur zelf: een grote, sterke, onoverwinnelijke en toch altijd zachtaardige, begrijpende, rechtvaardige man, die opkwam voor de bescherming van zijn volk. Dat was hem: de man van mij leven; daar bestond geen twijfel over. In de kinderatlas kleurde ik met een rode stift de vluchtweg in die mij (ik was toen acht jaar) naar de reservaten van de Apachen zou brengen. Ik wilde hen overreden weer zo te leven als in de Karl May boeken beschreven stond. En ik was ervan overtuigd dat ik daar ook mijn ‘man’ zou vinden, die ik als een soort vader of grote broer zag. Op een nacht was het zover. Met vijftien mark uit mijn spaarpot, een landkaart en een afbeelding van Winnetou ging ik door het venster van de kinderkamer op weg in de grote wereld, waar kracht en hardheid zouden heersten. Voor mijn ouders liet ik een briefje achter dat ik een belangrijker opgave in de wereld had dan dagelijks naar school te lopen. Jammer genoeg mislukte mijn actie al bij de tweede kruising, mijn moeder was door het klapperen van het open raam wakker geworden. Ze beloofde me een reisje naar Noord-Amerika. Na mijn eindexamen… De Winnetou-verhalen waren nog op een andere manier fascinerend. Altijd weer waren er episodes waarin de vijandelijke stammen de strijdbijl opgroeven, zich op het oorlogspad begaven en elkaar gevangen namen. Fascinerend boven alles echter: de martelpaal. ‘Hij zal twintig doden sterven’ was een zin die mij door merg en been ging. En er was geen gebrek aan precieze beschrijvingen van gruwelijke kwellingen die langzaam tot de dood leidden. Bloedend door de zweepslagen werden de gemartelden als maaltijd aan de gieren toegeworpen, of ze werden met een zoete substantie bestreken om insecten aan te lokken, of naakt aan palen geketend, die in wassend water stonden. Ze werden geradbraakt, vastgebonden, door paarden voortgesleept tot ze dood waren. Onder hun martelpalen werden vuren opgestookt om ze aan het praten te krijgen… De variëteit aan kwellingen in deze verhalen was enorm. Niet dat ik met de gemartelde zonder meer had willen ruilen. Want eerlijk gezegd was ik ontzettend kleinzerig. Wat me niet losliet, was veel meer de uitzichtloosheid van de situatie waarin de slachtoffers zich bevonden, de verschrikkelijke verwachting van wat er te gebeuren stond. Door de lust die de voorstelling van deze pijnen en kwellingen bij mij opwekte, kon ik al snel alle toepasselijk passages uit mijn hoofd opdreunen. In het geheim, wel te verstaan. De andere kant van mijn bestaan, de oppervlakkige, was die van het vrolijke meisje dat met veel geduld poppenkleertjes maakte, trots op de piano eerste etudes van Mozart pingelde en voor een uiterst vlijtige scholiere doorging. Deze kant in mij streefde naar het ongevaarlijke en verstandige, naar de veilige en vriendelijke dingen in het leven. Mijn poppen kregen een vrije, liefdevolle opvoeding, mijn opstellen waren – afgezien van de genoemde uitzondering – allemaal vrolijk en zorgeloos van toon en dat gold ook voor mijn eerste pianocomposities. Ik speelde onschuldige meisjesspelletjes met de onschuldige buurtkinderen. Mijn ouders konden me voorhouden dat ik het goed opgevoede meisje was, dat een lieve man en vele, vele kinderen wenste en net zoals haar mama wilde worden. Een kind waarvan je gewoon wel moest houden, altijd bereid om te helpen. En zo vrolijk! Een masker. Zo begint het ‘drama van een begaafd kind:’ zeg me hoe ik jullie moet behagen en zo zal ik zijn, nee, zo zal ik lijken! Toch hield ik door dit verstandige en vriendelijke schijnbestaan de handen vrij, kwam er ruimte voor datgene wat werkelijk in mij aanwezig was en steeds sterker naar de oppervlakte drong: de zucht naar de duisternis, naar de angst, naar pijn, naar het verkennen van grenzen. In vrolijke zomerkleertjes liep ik, vriendelijk zwaaiend naar mijn moeder voor het raam, zogenaamd naar de zandbak, maar in werkelijkheid een paar straten verder, waar de bosjes bescherming boden. Jurk uit, turnpak aan en dan bliksemsnel op weg. Naar het sportveld. Daar waren alleen maar jongens. Meisjes waren niet welkom. Dat wist ik, en juist daarom ging ik erheen. Ik wist ook het antwoord op de vraag of ik mee mocht spelen: hoongelach, spot gefluit. ‘Jij? Een meisje?? We zijn hier niet op de kleuterschool! Jij hebt helemaal geen kracht!’ Dat was het. Dat ene woord: kracht. Ik stormde op de sterkste toe. ‘En of ik kracht heb!’ Ik sloeg er ongecontroleerd als een wilde op los, schopte om me heen. Ik kende de afloop van deze ‘gevechten’: gevechten om overwonnen te worden. Daarna was ik rustig. Opgelucht. Op de een of andere manier vrij. In de bosjes trok ik mijn zomerjurkje weer aan en streek ik mijn haren glad. ‘Een lief meisje, nooit maakt ze zich vuil.’ ‘s Avonds in bed keek ik trots en gelukkig naar de blauwe plekken op mijn armen en benen, die ik aan mijn vechtpartijen had overgehouden. Tekenen… Rond Kerstmis zijn er films op tv die in het oude Rome spelen. Ik mag ernaar kijken. Voor het eerst hoor ik over gladiatoren en over slavinnen. Ik geloof dat ik mijn bestemming gevonden heb. Ik word slavin. Er ontbreekt alleen nog een sterke Romeinse veldheer. Mijn vader meesmuilt: ‘Dat bestaat toch helemaal niet meer, kindje. Godzijdank is die tijd voorbij. Slavernij is iets heel ergs. Niemand mag een ander mens tot slaaf maken, zijn lot bestemen, hem pijn doen.’ Ik weet alleen dat het leven dat deze slavinnen in de Romeinse tempels leiden, mij bevalt. Maar ik ben te laat, veel te laat geboren. Op een gegeven moment beschouw ik dergelijke films en boeken alleen nog als model voor mijn eigen fantasieën. Die hebben het voordeel dat ze altijd aan de actualiteit aangepast zijn en op elk moment opgeroepen kunnen worden. Ook zijn ze exact op mijn meest geheime wensen toegesneden. Het zonnige leventje van het brave meisje ging ondertussen gewoon verder. Na de vierde klas ging ik naar een gerenommeerd katholiek meisjesgymnasium, een privé-school. Tot vreugde van mijn ouders. En ook ik had reden tot vreugde: een paar nonnen, die uit een heel andere tijd overgebleven waren, zaten opgesloten in hun herinneringen, brachten de geschiedenis van de oude muren en vertrekken weer tot leven en dweepten met de ‘goede oude tijd’, waarin ze met types als wij heel anders omgegaan waren. Hun bestaan alleen al en hun kledij onderstreepten bijna perfect de sfeer van het kale gebouw. Ik was dolenthousiast. Mijn enthousiasme werd nog groter omdat we elke dag herinnerd werden aan het lijdensverhaal van Christus. We waren tenslotte leerlingen van een katholiek meisjesgymnasium, stuk voor stuk zondaressen, die het grote offer van Jezus Christus onophoudelijk voor ogen gehouden moest worden: ‘Ze geselden hem tot bloedens toe met doornen, drukten hem een kroon van scherpe doornen op het hoofd… Hij werd tot de dood aan het kruis veroordeeld, moest eigenhandig zijn kruis de berg opdragen naar de plaats van de terechtstelling, aangespoord door de zweepslagen van de Romeinen… Toen bonden ze hem aan het kruis, sloegen spijkers door zijn handen en voeten…’ Zuster Ludmilla was ervan onder de indruk hoezeer ik gegrepen werd door het lijdensverhaal van Christus. Steeds weer wilde ik het verhaal horen en was ik nieuwsgierig naar details. Ook over de vervolging van de christenen liet ik me telkens weer vertellen. En over zondaars, bijvoorbeeld ontrouwe vrouwen die gestenigd werden. Ook het ochtendritueel voor het begin van de les beviel me erg goed: zingen, bidden, biechten, een uur kerkdienst. Pas nadat we zo gelouterd en voorbereid waren, begon het wereldlijke onderricht. Kinderen van openbare scholen lachten ons daarom uit. Ook onze angst voor de directeur wekte de spot van andere kinderen. Slechts zelden kreeg een leerlinge hem te zien. Hoogstens als een van ons zich zo gedragen had, dat alleen van een ernstige berisping door de hoogste autoriteit nog verbetering te verwachten was. Het duurde een paar jaar voor ik hem zelf voor het eerst zag. Toch was zijn macht overal te merken. Hij was zogezegd alomtegenwoordig door afwezigheid. De sfeer van het christendom begon voor mij een bepalende rol te spelen. Gefascineerd hoorde ik over deemoed, ascese, over het gebod zich aan Gods wil te onderwerpen. Ook het knielen na het ontvangen van de hostie inspireerde me, net als de duisternis van de kapel, de bezwerende gezangen, de drukkende stilte. Ik hoorde over mensen die vasten, zichzelf geselen, afzien van alle verleidingen, en dat alleen voor HEM, voor God. Ik hoorde over het klooster. Weer was ik er zeker van dat toch mijn weg gevonden te hebben: ik wilde het klooster in. Het zou de hardste vorm van onthouding moeten zijn: alles opgeven, alles weggeven, alleen voor HEM. Zuster Ludmilla veegde heimelijk een traan van ontroering uit haar oude vermoeide ogen, toen ik haar mijn wens kenbaar maakte. ‘Lief meisje’, zei ze, ‘het leven in het klooster is tegenwoordig wel wat anders geworden. Ik laat je graag ons klooster een keertje zien.’ Aan de hand van mijn geïrriteerde moeder liet ik me op een middag door zuster Ludmilla door het klooster rondleiden. Voor de sobere kloostercellen waren aangename en royaal ingerichte kamers in de plaats gekomen. Er werd zo goed als nooit gevast, wat door de lichaamsomvang van de zusters duidelijk bewezen werd. Alles bij elkaar verschilden de dagelijkse bezigheden van een non vandaag de dag nauwelijks van een andere werkende vrouw. Allemaal gingen ze naar hun werk, waarbij ze wel een deel van hun geld afgaven, maar dat buiten het strenge kledingsvoorschrift bijna de enige beperking. Het afzien van lichamelijke liefde leek mij toentertijd volkomen bijzaak. Geen geseling. Geen ascese. Geen absolute overgave. Ik was teleurgesteld. Mijn moeder was opgelucht. En uit de goedmoedige blik van zuster Ludmilla sprak begrip. Het leven ging verder. Mijn zoektocht ging verder. De zoektocht naar iets wat ik niet beschrijven kon. Ik wist zelfs niet eens dat ik op zoek was. Maar iets in mij liet me niet met rust. Een diepe, pijnlijke hartstocht dreef me verder. Ik zocht sterkte, hardheid, grenzen, maar tegelijkertijd altijd ook liefde. Op een gegeven moment, na mijn lange odyssee zonder geluk door de realiteit, begon ik verhalen te verzinnen. Eigenlijk waren het niet alleen maar verhalen. Het was een afgesloten wereld op zich. Een wereld die alleen mij toebehoorde, waarin ik als enige toegang had, die door mij geschapen was. In deze wereld, die ik met gesloten ogen tot in het kleinste detail voor me zag en nu nog kan zien, ervoer ik alles wat ik in de werkelijkheid tevergeefs gezocht had: spanning, angst, pijn, liefde, schrik, hoop, bevrijding. Mijn eerste verhaal ging over een boerenfamilie met vier kinderen. De ouders en hun kinderen moesten hard werken om te kunnen overleven. Ik was zelf de kleinste van vier broers (een jongen!) en hoefde daarom minder zware lichamelijke arbeid te doen, maar elke frustratie, elke agressie van mijn broers ontlaadde zich automatisch tegen mij, de kleinste, zwakste en meest hulpeloze. Ze lieten me in het bos achter, sloten me op, sloegen me en lieten me dingen doen die onontkoombaar tot een bestraffing door mijn vader moesten leiden. Ik was erg bang voor mijn vader, een door het leven hard geworden man. Maar ik achtte hem tegelijkertijd hoog en hield grenzeloos veel van hem, omdat hij altijd gelijk had. Hij sloeg mij of mijn broers nooit zomaar omdat hij een slecht humeur had’ alles wat hij deed had een reden, en ook al was dat soms moeilijk in te zien, het gebeurde toch allemaal voor mijn eigen bestwil. Ik leed en ik was bang, maar tegelijkertijd was ik oneindig gelukkig in mijn wereld. Ik beging allerlei vergrijpen, mijn broers verzonnen allerlei gemeens, ik moest allerlei straffen ondergaan… Het hoogtepunt van het verhaal was het ritueel van de bestraffing, een moment van de hoogste kwelling, maar ook het moment van de vervulling en de bevrijding. De avonturen en misdaden hadden eigenlijk alleen de bedoeling een geloofwaardige mise-en-scène te vormen van waaruit het stuk onvermijdelijk altijd naar hetzelfde hoogtepunt voerde. De spanning begon als duidelijk werd dat een misdaad ontdekt was, dat vader ervan wist. Ik rekte de fase van de angst, van de schrik, zoveel mogelijk. Ik genoot van de angst. De onmogelijkheid het vergrijp uit te wissen. Ik genoot ervan aan de situatie overgeleverd te zijn, aan de macht van mijn vader. Alles speelde zich heel realistisch in mijn binnenste af . Dan het onvermijdelijke moment: ik stond voor mijn vader. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik sidderde, ook in werkelijkheid, in de veilige omgeving van mijn bed. Dan de bekentenis. Het berouw. De afkondiging van de straf. De spanning bereikte een hoogtepunt. Dan de straf zelf. Altijd was het een lichamelijke straf. Hard en consequent doorgevoerd, maar altijd terecht. Mijn gehuild, gekerm, geschreeuw. De tranen vloeiden op mijn hoofdkussen, ik zweette, ik slikte, was helemaal buiten mezelf. Na de bestraffing stuurde mijn vader mij naar mijn kamer. Daar moest ik enige tijd alleen blijven, om me te bezinnen op mijn vergrijp. Ook deze scène betekende voor mij een moment van ongelooflijke spanning; het wachten tot hij zou komen om me uit mijn eenzaamheid te verlossen. Voetstappen. Nog een keer hoogspanning. In de duisternis van mijn kamer hield ik mijn adem in, sidderde over mijn hele lijf. eindelijk: hij komt… Hij neemt me in zijn armen. Hij streelt me, troost me. Alles is vergeven. hij houdt van me. Dat was het mooiste moment, het moment waarop alle gevoelens waartoe ik maar in staat was, harmonische in elkaar vloeiden. Alles in mij was slap, alles was tot rust gekomen en tegelijk open. Bevrijding. . . Geluk. Langzaam dook ik op uit mijn wereld, terug in de realiteit. Ik keek naar mijn vader, die altijd vol begrip was, die me nooit zou slaan, maar me zo vaak van zich af stootte, die onrechtvaardig kon zijn en humeurig en bij wie ik er helemaal niet zeker van was dat hij van me hield. Ik keek naar mijn moeder, voor wie alleen uiterlijk prestige telde, bijvoorbeeld dat ik de beste van de klas was, en dat ook nog op een gerespecteerd gymnasium voor de maatschappelijke elite. Wat was ze trots op haar brave dochtertje: zon, piano, prestatie, beleefdheid, meisjesboeken… Steeds vaker dook ik onder in mijn wereld. Ik kwam na school thuis, maakte mijn huiswerk en ging daarna vaak meteen naar bed. Ogen dicht en mijn wereld in. Mijn moeder straalde: zo’n braaf kind! Ligt al in bed als ik ‘s avonds om zes uur uit mijn werk kom. ‘Voor haar telt alleen de school, daarvoor wil ze elk offer brengen.’ Offer. . . Een tijdlang had ik een ander verhaal. Enkele maanden lang was ik aan een door de duivel bezeten vrouw overgeleverd, die naar buiten toe weliswaar liefdevol en bezorgd was, maar me in werkelijkheid behekste, zodat ik voortdurend tegen elk denkbaar gebod zondigde. Ze toonde zich dan heel teleurgesteld, was geërgerd en woedend en bestrafte me dan zo hard als op dat moment nodig was, altijd met een ondoorgrondelijke glimlach op haar lippen. In dit verhaal leed ik in donkere gangen en kelders aan kettingen en bij duivelsuitdrijvingen. De vrouw was voor mij tegelijkertijd redding en ondergang. Er was geen ontkomen aan: ik stond onder haar invloed, haar magische macht, haar duivelse spel, waarin ze me het kwade toediende, en waaraan ik net zo goed blootstond als aan mijn begeerte naar haar troost en haar vergeving. De absolute afhankelijkheid. De volmaakte overgave. Ik was negen jaar oud. Mijn moeder wilde niet dat ik sprookjes las, omdat ik voor die gruwelijkheden veel te jong was en bovendien te gevoelig… Mijn geheime fantasiewereld bepaalde mijn kinderjaren. Zelfs nu nog is geen werkelijke gebeurtenis zo reëel voor mij als de verhalen die ik verzon. Geen ander gevoel kwam ook maar in de buurt van de gevoelens die tijdens mijn verhalen in me opkwamen. De werkelijkheid was vervelend, kleurloos en oninteressant. Maar ondanks de net zo goed bange als blije uren in mijn wereld groeide mijn onrust verder. Ik wilde werkelijke angst beleven, waarlijk troostende armen om me heen weten. Voor de laatste keer probeerde ik wat ik nodig had bij mijn vader te vinden. Ik vervalste rapporten, spijbelde van school, stal weer geld, deze keer zelfs van een belangrijke klant van mijn vader. Nu, dacht i, nu moet er toch wel wat gebeuren! Om het nogmaals heel duidelijk te zeggen: dit gebeurde allemaal onbewust. Ik wist op dat moment helemaal niet dat ik pijn wilde voelen, wilde genieten van het gevoel overgeleverd te zijn, probeerde grenzen te verkennen. Als iemand dit beweerd zou hebben, dan zou ik het verontwaardigd van de hand gewezen hebben, en het trouwens helemaal niet begrepen hebben. De dag van de ontdekking kwam, mijn bouwwerk van leugens stortte in elkaar, net als mijn moeder. En het ergste was, mijn vader ook. De teleurstelling sloeg hen beiden op de grond, alleen mij sloeg niemand. Mijn moeder huilde, mijn vader zuchtte: ‘Wat moeten we met jou aan?’ Daarop had ik hem een heleboel kunnen antwoorden. Maar ik deed het niet. Hij zou het zelf hebben moeten weten: hard en sterk zijn, rechtvaardig en consequente maatregelen nemen, zoals de vader in mijn geheime wereld gedaan zou hebben. Ik huilde overigens toch, omdat het me zo’n verdriet deed dat hij er niet was, dat hij niet werkelijk bestond. Mijn ouders beschouwden mijn tranen als teken van berouw en vergaven me nog een keer. Een klein vleugje hoop lag in het onderhoud met de directeur. Tenslotte had ik rapporten vervalst. De klassenleraar greep me zonder pardon vast en sleepte me voor de eerste keer de steile trap naar de torenkamer op, waar het hoofd van de schooldirecteur zich bevond. Ik was op alles voorbereid en verschrikkelijk opgewonden. De zware houten deur ging open. ‘Hier is ze,’ zei de klassenleraar, duwde me de kamer in en ging weg. De kleine misvormde man achter het grote bureau schoof zijn stoel naar me toe en bekeek me met opgezwollen, rode ogen. Met onvaste hand greep hij de vervalste rapporten, sprak lispelend en haastig over de wet en het prestige van zijn school. Er volgde nog een vermaning en het dreigement dat ik van school moest als het nog eens gebeurde. Dat was alles. En voor deze man was ik zo bang geweest! Teleurstelling. Van de realiteit was niets te verwachten. En ook mijn verhalen waren niet meer genoeg voor me. Tenslotte nam ik het heft in eigen hand. Natuurlijk nog steeds volstrekt onbewust, ik met mijn elf jaar. Het was de tijd van de sekten. Op elke hoek van de straat zongen Hare Krisjna aanhangers, en de leden van de ‘Kinderen van God’ wachtten voor de poorten van de school om ons de weg naar een beter leven te wijzen. Ik trad niet toe tot een van deze sekten. Hun motieven waren me wat al te doorzichtig; bovendien had ik geen geld en was alleen daarom al niet interessant voor hen. Maar het idee op zich beviel me wel. En zo stichtte ik mijn eigen sekte. Voor mij alleen. Ik werd het belangrijkste en enige lid van de ‘Black moon-Sekte’. Black Moon, de leider, de god, was een vreselijk hard mens, altijd in het zwart gehuld, wiens gezicht niet te zien was. Hij kende medelijden noch genade. Alleen hardheid en strikte gehoorzaamheid. Ik kocht een dik zwart boek. In dit ‘Black Moon-Boek’ tekende ik heel precies meer dan honderd wetten op, waarvan de naleving voor mij de hoogste plicht was. Het waren voorschriften over kleding en eten, gehoorzaamheidsoefeningen, te verrichten prestaties en nog veel meer. Bij inbreuk volgende er harde straffen, die ook in het boek beschreven stonden. Op de piano componeerde ik de ‘Black Moon song’. Ik had allang een geheime voorliefde voor Bach, Chopin en Debussy ontdekt, terwijl mijn liever Mozart en Hadyn hoorden. Donkere, zware, mythische klanken. Treurmarsen. Duistere kathedralen, waarvan de klokken om middernacht in de nevel sloegen. Na het muzikale begin moest ik neerknielen. Ik had een klein altaar opgericht met afbeeldingen, een kaars en een spiegel, waarvoor ik ging zitten. Dan was het tijd voor de biecht. Ik bekende mijn vergrijpen, terwijl ik knielde op een hard, ruw stuk hout, dat ik op zolder gevonden had, en bad om genade. Black Moon schonk me die nooit. De straf werd afgekondigd. Ik nam die dankbaar aan en bad om vergeving. Ik bezat een kleine zweep, een deel van een pompeuze – carnavalskostuum, dat ik met leren schoenveters verstevigd had. Andere strafinstrumenten waren riemen, pollepels en stokken. Ik moest me ontbloten en over een krukje gaan liggen. De spiegel draaide ik zo, dat ik alleen de slaande hand te zien kreeg. Met vaste hand voltrok ik de straf. Deze viel altijd hard uit. Vijftig zweepslagen, twintig stokslagen. Dan moest ik op mijn knieën voor de straf bedanken en een zelfbedacht gebed van vijf bladzijden opzeggen. Tot slot ging ik naar bed, naakt. Ik smeerde mezelf met zalf in, die tussen mijn benen brandde, moest uren in een ongemakkelijke positie doorbrengen, terwijl ik een koortsthermometer in had, en moest soms ook met gestrekte armen in de hoek staan, tot ik bijna omviel. Mijn moeder was blij met haar vlijtige dochtertje, dat allang klaar was met haar huiswerk als ze ‘s avonds van haar werk kwam. Mijn vader was trots op mijn goede cijfers, zonder te weten dat een wet van de sekte mij tot deze goede cijfers verplichtte… Op de eerste schooldag na de zomervakantie, in de vijfde klas, was zij er. Een nieuwe. Uitgerekend naast mij. Ik lette eerst helemaal niet op haar, en ze zei zelf ook geen woord. Dat viel iedereen op, al snel ook de leraar. Uiteindelijk vroeg hij op een keer waarom ze zo gesloten was en of ze niet wat over zichzelf wilde vertellen. Haperend begon ze. Ze vertelde over strenge ouders en slagen die ze te verduren had en over zwaar werk dat ze dagelijks tot ‘s avonds laat moest verrichten. Iedereen zweeg onthutst. Ik slikte. De leraar schudde merkbaar aangedaan zijn hoofd. Wat niemand wist, behalve de leraar natuurlijk, en wat ze mij pas later toevertrouwde: ze had helemaal geen ouders. Ze woonde in een internaat, dat om zijn vrije opvoeding bekendstond… Ze werd mijn beste vriendin. We liepen urenlang hand in hand door de straten. Op het schoolplein verzonnen we verhalen over verstoten kinderen en arme wezen. We tekenden en schreven zelfs een kleine eigen krant: ‘Verschrikkelijke belevenissen van een tehuiskind.’ daarin stonden berichten over de nieuwste en gruwelijkste strafmethoden en schrikaanjagende verhalen van genadeloze opvoedsters. We vonden voor ons beiden ziekten uit, die alleen met de meest pijnlijke methoden te genezen waren: met heel grote injectienaalden, urenlang tempen en pijnlijk brandende zalf. De huisapotheek van mijn ouders werd opvallend snel leger en leger. Ik was gelukkig. Eindelijk had ik een bondgenoot. Een zuster. Eindelijk was ik niet meer alleen. Ik had geen droomwereld meer nodig, geen vlucht meer in de fantasie. In werkelijkheid, met mijn vriendin, kon ik nu alles beleven wat ik tevoren alleen in mijn verhalen gevonden had. Maar ik wilde graag allebei hebben: de werkelijkheid en de droomwereld. Liever gezegd: ik wilde die twee met elkaar verbinden. Ik vatte moed en vertelde voor de eerste keer aan een ander over mijn verhalen en ook over mijn sekte. Ik wilde haar, die zo op mij leek en die me zo goed begreep, in deze wereld en mijn sekte opnemen. Ze luisterde. Ze bekeek nieuwsgierig het zwarte sekteboek, las de wetten die erin opgetekend waren en de bijbehorende straffen. Ze verbaasde zich over de zelfgemaakte zweep. En vervolgens begon ze te lachen. Ze lachte me uit. Zij. Ze giechelde over wat voor mij het belangrijkst geweest was: over mijn wereld, mijn droomvader, de sekte – over mijn gevoelens. ‘Onzin’ noemde ze de dingen die mijn leven bepaald hadden. En ik was er zo van overtuigd geweest dat het haar net zo zou aanspreken als mijzelf! ‘Die sektetroep’ vond ze waardeloos. De doktersspelletjes waren iets anders. Maar zelfs daarin had ze niet echt zin meer. Ze ging weg. Lachend. Ik huilde een weekeinde lang. Om haar. Om mezelf. Om een verloren droom, een verwoeste wereld, een gevallen god. Daarna kwam ik tot rust. Ik had het begrepen: wat ik deed, wat ik wilde en wat me gelukkig maakte, was niet juist, was niet normaal. Ik was anders dan de anderen. Ik was alleen. Melchior: … Wat heb je hiervoor gedroomd, Wendla, toen je aan de Goldbach in het gras lag? Wendla: Dwaasheden, onzin… Melchior: Met open ogen? Wendla: Ik droomde dat ik een arm, arm bedelkind was, ik werd al om vijf uur de straat op gestuurd, ik moest de hele dag bedelen in weer en wind, onder harteloze, ruwe mensen. En als ik ‘s avonds thuiskwam, rillend van de honger en de kou, en niet zoveel geld had als mijn vader verlangde, dan werd ik geslagen, geslagen… Ik, Melchior, ben in mijn leven nooit geslagen, geen enkele keer. Ik kan me nauwelijks indenken wat het betekent geslagen te worden. Ik heb mezelf wel eens geslagen, om te ervaren wat je dan voelt. Het moet een afschuwelijk gevoel zijn. Melchior: Ik geloof niet dat een kind er ooit beter van wordt. Wendla: Waarvan beter wordt? Melchior: Van dat het geslagen wordt. Wendla: Bijvoorbeeld met deze twijg! Brr, wat is die taai en dun. Melchior: Die trekt bloed aan! Wendla: Zou je mij daar niet een keertje mee willen slaan? Melchior: Wie? Wendla: Mij. Melchior: Hoe kom je erbij, Wendla! Wendla: Wat geeft dat nou? Melchior: Wees toch rustig! Ik sla je niet. Wendla: Maar als ik het nu goedvind? Melchior: Nooit, meisje! Wendla: Maar als ik je er nu om vraag, Melchior! Melchior: Ben je niet goed wijs? Wendla: Ik ben in mijn leven nog nooit geslagen! Melchior: Hoe kun je zoiets vragen…! Wendla: Alsjeblieft… alsjeblieft… Melchior: Ik zal je leren vragen! (Hij slaat haar.) Wendla: O god, ik voel helemaal niets! Melchior: Dat geloof ik graag… Door al die rokken heen… Wendla: Sla me dan op mijn benen! Melchior: Wendla! (Hij slaat haar harder.) Wendla: Je streelt me alleen! Je streelt me! Melchior: Wacht, heks, ik zal de duivel bij je uitdrijven! (Hij gooit de stok opzij en slaat met zijn vuisten erop los, zodat ze in een vreselijk geschreeuw uitbarst. Hij trekt zich daar niets van aan, maar ramt als een woedende op haar in, terwijl dikke tranen over zijn wangen lopen…)* * Uit: Frank Wedekind, Fruhlings erwachen.


By on 12:12
3 Vechten om overwonnen te worden

Vechten om overwonnen te worden
Jeugd van een masochist

De pubertijd kwam, ook voor mij. Vroeg en hevig. En daarmee alle nieuwe gevoelens en verwarring waaraan een jong meisje in deze levensfase wordt blootgesteld.
Mijn spel was ik vergeten en het sekteboek had ik verbrand. De spiegel werd belangrijker. De gebruikelijke kalverliefdes volgden, het gebruikelijke liefdesverdriet.
Ik stond bekend als een kenau, wild, arrogant en ontembaar; en toch verlangde ik ernaar getemd te worden.
Ik was geliefd en begeerd en had veel vrienden, die allemaal heel aardig tegen me waren. Te aardig.
Ik provoceerde. Ik ging tekeer, raasde en tierde, ik sloeg om me heen: kom op, bedwing me, wilde ik schreeuwen, wanneer komt er eindelijk iemand…?
‘Een waanzinnig type, een dijk van een meid, met alle respect!’ Mijn omgeving, in het bijzonder de mannen daarin, gingen op hun knieën van bewondering.
Onder mijn keiharde schil huilde ik, smeekte ik om bevrijding. Kwam er toch eindelijk maar iemand…! Maakte iemand maar eens overal een einde aan! Zei iemand maar: nu is het genoeg! Sloeg iemand nu maar eens terug!
Hysterisch om me heen slaand draaide ik om mezelf heen. Steeds in een kringetje. Doelloos. Labiel. Ik kende geen grenzen meer en wilde niets anders dan iemand tegen het lijf lopen.
Mijn puberteit werd een rampzalige tijd voor mijn ouders. Ik raakte verzeild in de rock- en punk scène, rookte, dronk, stal en zwierf rond. Ook daartegenover stonden ze hulpeloos, zonder te weten hoe hulpeloos ik zelf was. Ze troostten elkaar, zo goed als het ging: ‘Dat is de logische compensatie voor haar brave kinderjaren.’
Ik bleef me druk maken: waar is het? Waar is hij? Waar zijn de grenzen die ik zoek en die ik nodig heb? Sterkte zoek ik, autoriteit, dominantie. Ook liefde, begrip, warmte. De pijn en bevrijding.

Ik raasde in een waanzinnig tempo door de tijd en door relaties, door hoop en teleurstellingen. Nieuwe relaties, nieuwe hoop… Ik verwoestte illusies, om nieuwe op te bouwen.
Er kam niemand. In de bioscoop huilde ik als ik Rhett Butler zag in ‘Gejaagd door de wind’. Bij de scène waarin hij eindelijk die ongebreideld egocentrische, o zo mooie vrouw pakt en haar toont hoe de vork in de steel zit. Ik begrijp haar (gespeeld) afweer en nog beter de glans in haar ogen de volgende ochtend.
Waarom kan ik haar niet zijn? Waar is mijn Rhett Butler? Ik verachtte de mensen die schijnbaar alles deden om mij gelukkig te maken, en toch niets. Zij die beweerden dat ze van me hielden en niet merkten wie ik was. Zij die alles begrepen, alles vergaven. Ik verachtte hen zoals ik mijn vader veracht had. Ze noemden het invoeling, begrip. Ik noemde het onverschilligheid, lichtzinnigheid, ja zelfs veronachtzaming.
Ik was zonder houvast, zonder grenzen, alleen.
En ik vocht. De uitzichtloze strijd om mijn nederlaag. Ik vocht ook tegen alle onwerkelijke autoriteiten, tegen de maatschappij, mijn ouders, de school.
Ik provoceerde iedereen. Raasde verder, gedreven door een kwellende onrust. Iemand moest toch ooit…
‘Ik sla geen vrouwen,’ zei Johnny, de leider van een rockersbende, nadat ik hem voor ieders ogen geblameerd en zelfs aangevallen had. Johnny, die vanwege zijn brutaliteit zo gevreesd was…
Rusteloos doolde ik verder. Altijd op zoek naar… Ik weet het niet.
En al weer bleef alleen de vlucht in de fantasie over. Nogmaals de toevlucht tot een andere wereld.

Een vader die weet hoe hij met mij, zijn kind moet omgaan, is er deze keer niet meer. Nu is deze harde, rechtvaardige, liefdevolle figuur uit mijn kinderjaren een man geworden. Hij heeft dezelfde gelaatstrekken, dezelfde ogen: hard en vol warmte.
En hij heeft macht. Een onverklaarbare, stille macht en dominantie, die geen bewijzen nodig heeft, waarbij je niet naar het waarom hoeft te vragen.
Nu ben ik vrouw, jong meisje geworden in deze eigen wereld, die donker is, maar ook bescherming geeft. En ik houd met elke vezel van mijn lichaam van deze man; nu ook rijper, lichamelijker dan ik eerder van mijn droomvader heb gehouden.

Weer kom ik in opstand tegen de bevelen van deze figuur, schend ik elke afspraak. Weer de spanning, de angst voor het moment van ontdekking. Weer de straf.
De vergrijpen zijn anders geworden, de straffen zijn veranderd. De gevoelens zijn hetzelfde gebleven: angst en fascinatie.
In zijn armen word ik tot vrouw, mijn door de slagen verhitte lichaam ervaart door hem de eerste lichamelijke lust en bevrediging.
Hij is niet schuchter. Ken geen vals mededogen zoals de anderen. En toch verwondt hij me nooit. Nooit werkelijk. Hij verlangt het absolute. De volkomen overgave. De openbaring van mijn geheimste wensen.
Ik geef ze prijs. Aan hem alleen. Ik weet dat hij ze zal bewaren.

De vriendschappen, de eerste seks met de jongens van mijn leeftijd verveelde me.
Maar ik functioneerde. Keurig.
Een lege huls. Een masker.

Op een dag geef ik hem een naam: Jackson.
Ik koop een gouden naamkettinkje, waarin ik zijn naam laat graveren. een sluier van onneembaarheid omgeeft me voortaan. Mijn mannelijke omgeving prikkelt dit nog meer.
Maar tegen HEM heeft niemand een kans.

Ik werd rustiger. Verdraagzamer. Mijn schoolcijfers werden beter. Mijn ouders halen opgelucht adem: gebeurd! Ze heeft haar puberteit achter zich gelaten.
‘Het geluk is aan je te zien, kind,’ zei mijn moeder met een tevreden blik op een of andere jongen met onschadelijke oprechte intenties. Ze was er zeker van: ‘Hij is zo doelbewust, precies de juiste voor jou!’
‘Doe me pijn, alsjeblieft,’ bedelde ik bij hem, de werkelijke, als onze seksuele relatie voor mij onverdraaglijk werd. ‘Sla me!’ vroeg ik nog een keer.
Hij schoot ontzet uit bed en in zijn kleren. ‘Ik ben toch zeker niet pervers!’

Jackson weet wat hem te doen staat.
Voor het feit dat ik hem met deze kleurloze jongeman bedrogen heb moet ik boeten. Zeepslagen op mijn rug, op mijn been en daartussen. ‘Dat is van mij,’ zegt hij.
Ja toch, alleen van hem, dat weet ik toch? Ik smelt weg, geef me aan hem over. Aan hem, de pijn, de lust…

Mijn moeder maakte zich zorgen: al weer een hoop, een potentiële schoonzoon ontglipt.
‘Misschien ben je te sterk,’ giste ze, een en al moederlijke bezorgdheid. ‘Laat hem nu toch het gevoel dat hij de sterkste is. een man heeft dat nu eenmaal nodig.’

Jackson wordt harder, brutaler.
Hij dwingt me in obscene houdingen. In ordinaire standjes beveelt hij me handelingen aan mezelf. Dagelijks slaat hij me met de zweep.
Ik houd des te meer van hem.

Bij de kantoorboekhandel hadden ze iets nieuws: briefpapier met een zegel en metalen letters, dat je in was moest drukken. Zo kon je je brieven verzegelen en van je initialen voorzien. Een groot succes in de klas.
Ik kocht een zegel met de letter J, hield die minutenlang in een vlam en drukt hem op mijn borst.
Ik schreeuwde het uit van pijn, maar ik was gelukkig.
Niemand mocht me meer aanraken. Alleen hij. Altijd alleen hij. Zijn teken zou ze allemaal afschrikken.
Ik was erg trots. Het liefst was ik naakt rond gaan lopen, zodat iedereen het teken zou zien. Ook al ontbrak de boog en zag het litteken er daardoor meer als een I uit…

In mijn wereld, met Jackson, ben ik gelukkig.
Niemand kan me de liefde voor hem afnemen, niemand kan die verwoesten.
HIJ is er altijd. Hij houdt net zoveel van mij als ik van hem.
Ik weet niet hoe hij eruitziet. Hij blijft een wazige donkere vlek voor me. Ik zie alleen de uitdrukking in zijn ogen: zwak, vol liefde, zacht, en tegelijk wreed, hard, beslist.
Mijn moeder maakte zich weer zorgen. Ik leed een wat al te beschouwelijk leven voor een nauwelijks achttienjarige. School, huiswerk in mijn kamer, daarna vroeg naar bed, verder niets.
Dus dwong ik mezelf ertoe me een- tot tweemaal per week onder de mensen te begeven, het leven in.
Verspilde tijd, tijd zonder Jackson, tijd zonder gevoelens.

Op een discussieavond ontmoet ik Daniël. Hij trekt me aan, omdat hij zonderling overkomt. Gesloten. Rustig. Ik bespeur warme gevoelens. Hij spreekt allen als het van belang is wat hij te zeggen heeft, en dan rustig, helder en overtuigd.
Ik zink weg in zijn ogen. Een kort moment lang zijn het Jacksons ogen. Ze houden stand. Rustig, zonder opwinding.
Alleen ik ben opgewonden en onrustig en word bang. In de pauze verdwijn ik stilletjes, omdat ik deze blik niet uithoud, omdat iets daarin gevaarlijk dichtbij kot. Ik moet me beschermen, mijn gevoelens en natuurlijk Jackson. En toch zit ik er een week later weer, als door een vreemde hand bestuurd.
Hij is er. Glimlacht vrijblijvend.
Hij weet ontzettend veel en met zijn rust en gelatenheid komt hij me voor als een rots in de branding. Ik bespeur zijn superioriteit, die zo’n heel andere oorsprong heeft dan ik tevoren dacht.
Hij trekt vragend zijn wenkbrauwen op, als hij de ingebrande J ontdekt, maar zegt niets. Hij zegt in ieder geval niet veel.
Ook ik ben rustig, altijd een beetje schuchter in zijn aanwezigheid. Hij blijft vreemd voor me, een raadsel. Hij boezemt me ook angst in. Mij gevoelens voor hem dwingen me mijn huidige leven op te geven, om Jackson op te geven. Ik droom niet meer over slaan en geweld, marteling en kwelling.
Ik ben gelukkig, door mijn liefde voor hem.
Maar iets in mij verdraagt dit geluk niet, de rust. De onrust komt terug, de stille aandrang om grenzen te verkennen.
Ik speel het oude spel uit mijn meisjesjaren: provocatie, ruzie, woede.
Daniël is verrast en geïrriteerd. Maar hij blijft rustig. Daardoor verlies ik mijn zelfbeheersing en ga steeds verder. Ik wil dat hij zijn rust verliest, ik wil dat hij uit zijn vel springt, ik wil dat hij woedend wordt, ik wil dat hij…
Op een avond ensceneer ik een ruzie om niets, fok mezelf met eindeloze monologen op tot een dramatisch hoogtepunt, en sla toe. Wild en onbeheerst sla ik hem keer op keer in zijn gezicht. Nu moet hij toch eindelijk…!
Heel rustig staat hij op, houdt mijn armen vast – precies zo stevig dat ik ze niet meer kan bewegen – trekt me over zijn knie en slaat toe. Heel rustig. Misschien tien keer, ik weet het niet meer. De slagen doen pijn, maar niet erg.
Ik schaam me verschrikkelijk, ben totaal in de war. En in een belachelijke pathetische pose verlaat ik het huis en de man die dat gedaan heeft waarnaar ik zonder het te weten de hele tijd verlangd heb.

Pas later is me duidelijk geworden dat ik niet tegen hen, maar tegen mezelf en mijn gevoelens ingegaan was, op het moment dat de vervulling van mijn geheimste wensen werkelijkheid dreigde te worden.
Het was welbeschouwd nog te vroeg voor de vervulling ervan.
Ik had veel verloren. Niet alleen Daniël, maar ook Jackson.
Aangezien de beelden van beiden zich vermengd hadden, vond ik geen toegang meer tot de man van mijn dromen, tot mijn wereld.
De gebeurtenis met Daniël had iets in mij losgemaakt, een beschermende muur afgebroken… mijn met mijn droomwereld verwarde wensen geopenbaard.
Ik voelde me naakt en weerloos.
Razende stormen woedden in mij. Ik was meer in de war dan ooit tevoren in mijn leven, en zonder de mogelijke redding van de vlucht in een veilige fantasiewereld.
Ik was overgeleverd aan de chaos van mijn wensen en gevoelens. Ik draaide in kringetjes, zonder hoop en verloren. Ik liep door de tijd en door de straten. Kwam er maar eindelijk iemand…
Ik was zo alleen, dat de eenzaamheid me dreigde te verstikken, en ik wist geen uitweg.

Hulpeloos begon ik een verhouding, waarvan ik van tevoren als wist dat die niet veel zou opleveren wat ik wilde en zocht. Een ondeugdelijke poging om de pijnlijke wonden van verlangen en eenzaamheid te helen. Een relatie die tot mislukking gedoemd was. Ik kwelde mezelf met banale ruzies, met oppervlakkige opwinding en een inhoudsloze bevrediging.
‘Er is iets in jou waar je niet bij kunt komen,’ zie hij mij op een dag vertwijfeld.
Daarop had ik geen antwoord. Ik voelde het immers zelf.
‘Ik heb nooit het gevoel dat ik je helemaal heb, zelfs niet als we met elkaar slapen,’ klaagde hij verder.
Ook daarop wist ik niets te zeggen.
Deze vreemde onrust in mezelf bezorgde me steeds meer angst. Ik was leeg, alleen en vol pijn. Ik had steeds sterker het gevoel te verdwijnen, als er niet eindelijk…
Ik maakte een einde aan de ongelukkige relatie en ging voor het eerst alleen wonen.

Mijn ouders zag ik nauwelijks nog, sinds ik naar een grote stad op een paar honderd kilometer afstand was verhuisd. andere kennissen kreeg ik niet. Ik ging elk aanbod tot een intermenselijke relatie uit de weg. Ik schuwde elke communicatie, elke binding, elke verplichting.
Ik leefde geboeid in dagdromen, met boeken, alleen in mijn woning.
Vergeten.

Le repos de gurrier van Christiane Rochefort houdt me in zijn greep. Het is een verhaal over de liefde en afhankelijkheid van een vrouw die door een jonge intellectueel verleid wordt. In de relatie met hem wordt ze tot aan de grenzen van haar wezen gedreven, wordt ze van haar wil en haar waardigheid beroofd.
Maar bereidwillig neemt ze deze vernederende liefde op zich, zonder schaamte en zonder voorbehoud. En verkrijgt daardoor een heel nieuwe vorm van waardigheid: ‘Alles barst uit me los, ik straal van trots, dat ik een vrouw ben…’
Een paar nachten huil ik. Eerst om haar, dan met haar en tenslotte uit verdriet en kwaadheid dat mij dit geluk niet ten deel valt, dat er niemand is die ik zelf tot aan de volledige overgave kan liefhebben, dat er niemand is die mij zo behandelt.

Ik lees verder, kijk in de bioscoop naar films in het genre, hoewel ik daarna nog eenzamer ben en me nog bewuster word van de pijn van de eenzaamheid.
‘La Strada’ zie ik maar liefst zeven keer (Jean: Lieve Jelzemia). Elke keer stromen de tranen me over de wangen. De grote Zampano, die geen gelegenheid voorbij laat gaan zijn vriendin zo slecht en onwaardig als maar mogelijk is te behandelen, en toch door haar bemind wordt.
En zij laat zich door niets in deze liefde van haar stuk brengen.
Ze slaat zelfs het aanbod van een veel knappere en uiterst charmante kunstenaar om zich bij hem aan te sluiten af. Ze blijft bij Zampano, ondanks de steeds grotere vernederingen.
Maar haar deemoed maakt har niet ongeloofwaardig, maar geeft haar de aura van iets oneindig kostbaars. Haar deemoed is als een diamant, dat naar buiten schittert. Vol geheimen.
Zampano laat haar ijskoud in de steek, als ze op een dag ziek wordt. Maar hij komt niet meer tot rust. Hij zoekt haar, degene die hij verstoten en geminacht heeft. Uiteindelijk hoort hij dat ze dood is, huilend aan het strand op de plaats waar ze stierf. Haar beeld lijkt vanaf dat moment op dat van een godin, een heilige. Haar deemoed heeft haar op een voetstuk geplaatst.
De vrouw naast me in de bioscoop is ontzet. ‘Vrouwvijandig!’ snuift ze. ‘Jij begrijpt er helemaal niets van!’ wil ik schreeuwen, alsof het om mijn leven ging. Maar ik begrijp er zelf eigenlijk ook niets van… Ik weet alleen dat ik zo wil leven, zo wil liefhebben als deze vrouw in de film. Maar iets zou met och nog ontbreken, zelfs als ik zo zou leven als zij.

Ik voelde me ziek en vreemd. Op de een of andere manier misplaatst in deze wereld. Gelukzalig stralende paartjes om me heen, maar ik benijd ze niet. Ze hadden gen van alle dat wat ik zocht. Ik wist nog altijd niet wat er eigenlijk in me knaagt, wat me dreef en waardoor ik niet tot rust kon komen.
De pogingen het onbegrijpelijke begrijpelijk te maken, mislukte. Ik vond geen woorden, wist geen metaforen.
Ik gleed verder in de diepe, donkere kloof van een zelfverkozen eenzaamheid. De vlucht in het normale leven, in een banaal- vriendschappelijke relatie leek mij niet langer mogelijk.
Kwam er maar iemand…

Hij kwam niet. In plaats daarvan kwam er een tijdschrift. Per abuis belandde het in mijn brievenbus.
‘Open forum voor opvoedkundige vragen’ las ik geïrriteerd.
Ik keek naar een zwart witte omslag. Daarop was een vrouw te zien, die met ontbloot achterwerk over een stoel lag. Op de achtergrond een man, die een rietje heft.
Met kloppend hart eigende ik me het tijdschrift toe, dat eigenlijk voor een buurman bestemd was. Ik deed deuren en ramen dicht en sloeg het open. Ik bekeek de afbeeldingen, ik las en ik begreep.


By on 12:11
4 Lust door de kwelling

Lust door de kwelling
Bewustwording van een masochist

Heel langzaam – en eigenlijk pas op dit ogenblik – begin ik het te begrijpen: ik ben geen zonderling, ik ben niet ziek, ik ben een masochistische vrouw!
Steeds weer lees ik de verhalen van gelukkig gekwelde vrouwen, lees over de bevrediging door onderwerping, over pijn als stimulans, over de mannelijke lust een vrouw tot slaaf te maken, te kastijden.
Opeens wordt alles me duidelijk. Opeens krijgt alles een betekenis: mijn spel, mijn verhalen, de sekte, Jackson, mijn geheime wereld, mijn gevoelens.
Ik huil. Het is een bevrijdend huilen. De twijfels zijn bij me weggenomen, de drukkende onzekerheid, de verwarring: ik ben niet meer alleen. Ik ben alleen iets anders. En er zijn anderen, die precies zo zijn als ik. Ik weet eindelijk wat ik ben. Het beestje heeft een naam, eindelijk.
En: ik weet eindelijk hoe de man moet zijn die ik nodig heb.
Ik zal mijn geluk vinden!
Wat is alles plotseling gemakkelijk. Wat verbazend eenvoudig. Ik lees over ‘O’, over ‘Justine’, lees, lees, lees en begrijp steeds meer. Ik begrijp het moeilijkste wat ik ooit begrijpen wilde: mezelf.
Ik ben opgewonden en vol spanning. Vol hoop. Zeker, de juiste man ontbreekt nog. Maar wat is alles heerlijk eenvoudig geworden!

In de desbetreffende boekjes bieden zich mannen bij de vleet aan. Ik heb allang een heel assortiment van deze blaadjes thuis liggen. Fier en vol verwachting loop ik de seksshop in de stad binnen; in mijn euforie ben ik mijn schaamtegevoel kwijt.
Ik antwoord op twee advertenties en geef er zelf een op. Ik ben vol leven, vol spanning en tegelijkertijd veel rustiger dan tevoren. Meerdere malen per dag loop ik naar de brievenbus. Ik kan nauwelijks meer afwachten. Nu, na zoveel jaar, na die lange tijd van onzekerheid, van wanhoop.

Op een zaterdag komt het eerste antwoord op mijn brieven.
‘Je zult geheel en al aan mijn wil onderworpen zijn, besef dat goed,’ staat er.
Ik zie Jackson voor me, zijn prachtige hardheid en de warmte in zijn ogen.
‘Je wil zal ik breken, je gehoorzaamheid afdwingen,’ lees ik verder, opgewonden als zelden tevoren. ‘Bel direct op!’ eindigt het korte bericht.
Ik loop tien keer naar de telefoon, neem twintig keer de hoorn op en laat hem twintig keer weer op de haak vallen. Plotseling ben ik bang. Werkelijk bang.
Een glas wijn, diep ademhalen. Dan kies ik.
‘Ja,’ zegt een stem, die iets hoger is dan ik verwacht heb.
Ik zeg haperend wie ik ben.
Meteen wordt de stem donkerder. Iets daaraan bevalt me niet.
Hij beveelt me bij hem thuis te komen. Direct de volgende avond moet ik komen.
Ook dat wekt onbehagen in me op. Maar goed. Nu wil ik het weten.

Ik rijd erheen, sta trillend voor de deur, staar naar de bel. Dan zet ik me over mijn schroom heen.
De zoemer klinkt. Met knikkende knieën loop ik de trap op. Op de tweede verdieping gaat een deur open.
Hij draagt een zwarte leren broek, zwarte leren laarzen, een zwart leren jack en houdt een leren zweep in zijn hand. Maar het toppunt: het zwarte leren masker, dat zijn gezicht half bedekt. Bijna was ik in lachen uitgebarsten.
‘Kom binnen!’ beveelt hij met een stem die streng moet klinken, maar die uit louter opwinding overslaat en alleen nog maar hulpeloos klinkt. Mijn angst is helemaal verdwenen, net als de spanning.
Hij grijpt me bij mijn arm en trekt me de aangrenzende kamer in. Rood licht, waaraan mijn ogen eerst moeten wennen. Dan zie ik een rustiek bed, met kleden bedekt. Op een witte marmeren tafel liggen diverse attributen uitgestald: zwepen, stokken, knijpers, handboeien en verscheidene dildo’s.
‘Op je knieën!’ blaft het zwarte masker. ‘Of nee, kleed je uit, meteen!’ kucht hij.
Hier word ik echt niet goed van. Ik voel me vernederd, door het slijk gehaald. Ik had zo lang op deze eerste keer gewacht, en nu blijkt alles zo koud, zo gereduceerd tot een fractie van wat het had kunnen zijn.
Ik vecht tegen mezelf: schrik ik misschien alleen maar van mijn eigen durf? Is het de angst voor de eerste keer?
De man in het leer gunt me geen tijd om een antwoord op deze vragen te vinden. ‘Trek ter plekke je kleren uit!’ krijst hij. Weer slaat zijn stem over.
Door zijn hulpeloosheid krijg ik het benauwd, maar mechanisch kleed ik me uit.
Ik heb nauwelijks mijn beha losgemaakt of hij grijpt mijn borsten. Lomp en grof trekt hij ze heen en weer.
‘He…,’ zeg ik ‘Ik…’
Klap. Zijn zweterige hand treft mijn rechterwang. ‘Geen woord meer, mijn slavenhoertje!’ snuift hij.
Hij gooit me op de grond, grijpt bliksemsnel naar de tafel, pakt dan mijn armen, en nog voor ik me verweren kan, ben ik met handboeien aan de poot van het bed vastgeketend. ‘Nee!’ schreeuw ik uit alle macht. Ik wil alleen nog maar weg, ben verschrikkelijk bang. Ik walg van zijn gedrag.
Hij komt overeind, klautert over mijn benen, haast zich naar de tafel, staat besluiteloos en grijpt eindelijk naar een rijzweepje.
Met gespreide benen gaat hij over me heen staan, klemt mijn lichaam tussen zijn laarzen. Dan doet hij de gulp van zijn broek open.
Zijn lid springt eruit. Ik kokhals.
Hij heft de zweep en slaat uit alle macht over mijn borsten. D pijn snijdt me de adem af, ik kreun. De volgende slag, en nog een. Wreed, veel te hard.
Ik schreeuw alsof ik gespietst word. Tot hij me een stoffige doek in mijn mond stopt. Ik geloof dat ik zal stikken.
Hij trekt mijn benen uiteen, grijpt naar de marmeren tafel en kiest deze keer een zweep met leren repen.
‘Nu is je horenkutje aan de beurt!’ hijgt hij. Ik kokhals. Snak naar adem. Het is vreselijk! Een nachtmerrie. Alleen al die woorden. Hoe krijgt hij ze over zijn lippen!
Hij laat de zweep tussen mijn wijd gespreide benen knallen, steeds weer. Ik ben bang dat ik zware bloedingen oploop, zo verschrikkelijk is de pijn. Ik ruk zo sterk aan mijn handboeien, dat ik het bed van zijn plaats trek.
Hij beschouwt dat als ongehoorzaamheid, die hard gestraft moet worden.
Als hij naar de knijpers grijpt, ga ik bijna van mijn stokje. Hij trekt aan mijn tepels, laat de knijpers dichtspringen. Ik breek met het leven. De tranen lopen over mijn gezicht.
‘Ja, daar wordt je geil van, heh? Dat heeft een slavenhoer als jij nodig. daar wordt je lekker nat van.’ Zwaar snuivend schuift hij iets kouds tussen mijn benen, brengt het met geweld naar binnen. Een dildo met noppen. Het brandt, doet pijn.
Met de zweep slaat hij op de binnenkant van mijn dijen. Gevoelloos, mechanisch. Het bloed stroomt. Met leedvermaak denkik aan de vlekken op het tapijt.
Maar dan word ik door diepe ellende overmand: hij gaat over me heen staan en richt zijn stijve penis naar me, precies voor mijn gezicht. Hij begint luider en sneller te kreunen. Mijn tranen maken zijn opwinding nog groter.
Een jammerend slachtoffer, wat een stimulans! Ik huil om mijn gekwetst gemoed, om Daniël, om zijn rust. Mijn hart breekt bijna van schaamte.
Dan rukt hij wild de knevel uit mijn mond en duwt zijn kloppende lid tegen mijn hals.

Stilte.
Ik kom tot mezelf, keer als uit een lange nachtmerrie in de werkelijkheid terug. De zwarte man in het leer zit onderuit gezakt in een stoel. Zijn lid hangt slap uit de gulp van zijn broek.
Hij gaapt.
Ik ben als versteend. Merk nauwelijks meer hoe de handboeien worden losgemaakt. Als in trance kleed ik me aan. Zijn onzekere, onrustige ogen volgen mijn haastige bewegingen.
Ik ren naar de deur, stort me bijna van de trap. Weg, alleen nog maar weg van hier!

Een weeklang lig ik in bed, heen en weer geschud tussen walging en schaamte. Van de badkuip het bed in, van het bed de badkuip in.
Ik voel me als een varken, als een besmeurd, weerzinwekkend varken.
Ik wil normaal zijn! Ik ben niet zo. Ik ben geen slavenhoertje.
Ik ben niet masochistisch, als masochistisch zijn datgene betekent wat ik heb meegemaakt. Ik schreeuw het tegen de muren.
De echo weerklinkt zonder gehoord te worden keihard in mezelf, in mijn verwonde ziel.
De wonden op mijn borsten en op mijn dijen helen langzaam.
De wonden in mijn hart zullen misschien nooit helen.

Na acht dagen sta ik op. Er ligt een brief in de bus. Het tweede antwoord.
De brief is vier dagen oud. ‘Zondagavond kom ik je bezoeken,’ staat erin.
Paniek. Er resten me nauwelijks meer dan drie uur om te verdwijnen. Natuurlijk zal ik er niet zijn als hij komt. Ik wil er niets meer mee te maken hebben. Ik barst weer in tranen uit, sleep mezelf terug inbed, schokkend door mijn krampachtige huilen.
Plotseling gaat de bel. Als ik, mijn ogen nog vol tranen, tastend naar de deur ben gegaan en opengedaan heb, staat een vreemde man op de drempel. ‘Tranen? Van tevoren al?’ vraagt hij scherp, maar zacht.
Er gaat een schok door mijn lichaam. Hij is veel eerder gekomen dan aangekondigd. Vermoedelijk dacht hij dat ik anders zou verdwijnen.
Tegen wil en dank laat ik hem binnen. Mijn woning geeft me een bepaald gevoel van veiligheid. Bovendien heb ik een groot keukenmes voor het grijpen liggen in de lade rechts van me.
We zitten een tijdje, drinken koffie, praten urenlang.
Hij is aangenaam rustig en vol begrip. Ik stort mijn hart uit. Hij troost me. Nooit zou hij iets doen wat ik niet prettig vind, ik kan hem volledig vertrouwen. ‘Zal ik je – heel zacht – een pak slaag geven?’ vraagt hij zachtjes. Een warme blik treft mijn verbaasde ogen.
Ik vertrouw hem, ik ben niet bang, ik weet zeker dat hij niets tegen mijn wil zou doen – en plotseling stel ik vast dat dat me ook niet bevalt.
Ik stuur hem met een kluitje in het riet. Hij toont een blik vol begrip, strijkt schuchter over mijn haar.
Te veel goedheid. Te veel begrip.
Ik begrijp er steeds minder van. Ik begrijp mezelf steeds minder.
Ik kom mezelf vreemder dan ooit voor’ nu, op het moment dat ik geloofde mezelf eindelijk te doorgronden.
Ik geloofde dat mijn zoektocht beëindigd was; toen, op het moment dat ik inzag dat ik een masochistische vrouw ben, dat ik lijden wil, pijn wil voelen.
Een tragische vergissing. Mijn zoektocht is nu pas begonnen.

Korte tijd later komt er een pak brieven: antwoorden op mijn eigen advertentie. Ik schud alle angsten en reserves van me af en begin een nieuwe poging.
Het is het begin van een odyssee van verschrikkingen.

Mijn bekentenis masochistisch te zijn wordt door veel mannen beschouwd als een vrijbrief voor de volledige onderdrukking van mijn persoon. Ik had niets meer te vertellen, werd tot een rechteloze slavin verklaard. Maar dat waren dan nog de draaglijke gevallen. Veel afschrikwekkender waren andere belevenissen: gefrustreerde zonderlingen leefden zich uit op mij, figuren die als kind bij hun moeder onder de knoet gezeten hadden, later vrouwen kregen die dit moedertype vertegenwoordigden en nu dankbaar de gelegenheid te baat namen om zich op de vrouwenwereld te wreken. In tomeloze woede sloegen ze op me in, vernederden me op een onmenselijke manier. ‘Dat heb je toch nodig! Je wilt het toch, of niet soms?’
Nee, dat had ik niet gewild. Maar wat wilde ik dan wel?
Ik wilde als ‘kind’ geslagen worden, als slavin met de zweep krijgen, als lustdienares vernederd worden, maar tegelijk als vrouw gewaardeerd worden.
Zo simpel was het.
Zo moeilijk…

De moeilijkheden kwamen ook nog van een heel andere kant: van veel seksegenoten.
Mijn geaardheid was ongewenst, zelfs bijna een schandaal. Zeker niet in de laatste plaats omdat die volledig in tegenspraak was met de tijdgeest. De tekenen van de tijd wezen op de strijd tegen elke onderdrukking van de kant van het mannelijke geslacht. Mijn bekentenis dat ik me graag door mannen liet kwellen, werd als een terugslag beschouwd, maakt de indruk een bespotting te zijn van jarenlange emancipatoire inspanningen. Mijn lust aan lijden werd door de vrouwenbeweging beschouwd als een geniepige aanval uit de eigen gelederen.
Ik zag zelf geen tegenspraak tussen vrouwelijke emancipatie en masochisme. Ik collecteerde voor de oprichting van de eerste blijf-van-mijn-lijf huizen, waarin onderdrukte en mishandelde vrouwen hun toevlucht zochten, terwijl ik voor mezelf wenste door mijn partner geslagen te worden.
Het was immers helemaal mijn eigen beslissing om me op een bepaalde manier te willen onderwerpen, het was een behoefte van mij geslagen en overheerst te worden. en eiste de vrouwenbeweging niet de vrijheid voor je behoeften op te komen en ze te mogen uiten?

Met de leuzen van de vrouwenbeweging in het hoofd waagde ik in een feministische bewustwordingsgroep een poging over mij en mijn geaardheid te spreken.
‘Ik ben lesbisch’ zo stelde de eerste vrouw uit de groep zich voor, zonder een zweem van onzekerheid. ‘Ik heb drie keer een abortus gehad en ben verslaafd aan tabletten,’ vertelde de tweede. Hier zit ik goed, dacht ik opgetogen en stelde mezelf voor: ‘Ik ben masochistisch.’
Gegeneerd zwijgen.
‘Ga snel in therapie!’ riep mijn buurvrouw. ‘Je moet je laten helpen.’

‘Je lichaam behoort jou toe,’ zo klinkt het uit de mond van alle vrouwen die voor vrouwen opkomen. Het lichaam waarover zo vrij beschikt wordt, wordt aan hetzelfde geslacht overgegeven, voor bevruchting en abortus vrijgegeven en aan de farmacie overgeleverd. Dat lijkt allemaal juist en in de geest van het emancipatoire denken te zijn. Maar waarom kan ik mijn lichaam dan niet net zo vrij aan een man onderwerpen, als ik daar nu eenmaal het verlangen toe heb? Staat het hele gebouw van de emancipatietheorie soms zo wankel, dat een dergelijke behoefte het al kan laten instorten?
Ik heb steeds weer geprobeerd ‘normaal’ voelende vrouwen dit uit te leggen. Maar het hielp niets. Ik word als gevaar voor de vrouwenbeweging beschouwd.
De masochistische vrouw wordt de duisternis in gedrongen, naar een geheime, afgezonderde wereld verbannen. In de realiteit van alledag is er voor deze liefdesvorm geen plaats.
Echt niet?
Steeds vaker vroeg ik me af hoe het andere vrouwen vergaat die net als ik voelen. Lukt het hen hun geaardheid tot uiting te brengen? Zijn ze werkelijke zo gelukkig, zo bevredigd, als kennelijk authentieke getuigenissen in de tijdschriften suggereren? Zijn er masochistische vrouwen die in een liefderijke relatie leven, die deze geaardheid voor beide deelnemers gelukkig integreert?
Mijn behoefte naar een uitwisseling met gelijkgezinden werd steeds sterker. Ik ging in de aanval en liet en advertentie plaatsen waarin ik vrouwen zocht die mijn neiging delen en deze uiten.
Ik was zelf benieuwd naar of er zulke vrouwen zijn.
Ze zijn er. Tallozen meldden zich. Met enkelen voerde ik uitgebreide gesprekken. Hun levens- en liefdesverhalen wil ik in de volgende hoofdstukken vertellen.


By on 12:10
5 Het echtelijke strafritueel

Het echtelijke strafritueel
Het verhaal van Marga

Een beetje onder de indruk druk ik op de bel van het keurige, pretentieloze rijtjeshuis aan de rand van een buitenwijk. Een vrouw die masochistisch is, ervoor uitkomt, ernaar leeft: ik ben een en al opwinding!
Marga, eenenveertig jaar oud, huisvrouw en moeder van twee kinderen, gaat me voor naar de woonkamer. Ikea-meubels, planten, Duitse gezelligheid. De kinderen spelen in de tuin. Een idyllisch gezin.
Kindertijd in een tehuis in Noord-Duitsland. Daarin was Marga eigenlijk per vergissing terecht gekomen. Het was vlak na de oorlog, de weeshuizen zaten overvol en wie pech had, belandde in een opvoedingsgesticht. Marga had pech gehad.
Ze bracht haar kindertijd dus in het tehuis door, in een strak georganiseerde levensstijl volgens de regels van de kloosterorde. Voor warmte en genegenheid ontbrak het de barmhartige zusters aan tijd; je moest toen al blij zijn dat je alle hongerige kinderenmonden kon vullen, de kinderen kon kleden en ze een dak boven het hoofd kon bieden. Het eerste gebod was dat de dag zonder strubbelingen verliep. De kinderen moesten in deze geest functioneren.
‘Persoonlijkheid was niet in tel, dat zou uit de toon gevallen zijn en zou alleen gestoord hebben,’ zegt Marga.
De in schooluniform gestoken meisjes moesten marcheren, hand in hand, in de pas. Van de slaapzaal naar de eetzaal. Van de eetzaal naar de studiezaal. En vandaar weer naar de eetzaal en terug naar de slaapzaal. En daartussendoor: bidden, zingen.
Marga droomde over een gezin, over een vader, over een moeder helemaal voor zichzelf. De kloosterzusters konden de rol van de ouders niet innemen. Ze werkte in ploegendiensten. Persoonlijke relaties waren niet mogelijk en ook helemaal niet gewenst. Liefde kwam van God en van hem alleen.
En je moest elke dag opnieuw zijn liefde verdienen, door gehoorzaamheid en deemoed. Ongehoorzaamheid was zonde. En zonden moesten uit het hoofd van de kleine meisjes verdreven worden. Ook dat gebeurde strikt volgens plan.
Voor vergrijpen kreeg je strafpunten. Aan het eind van de week werd er afgerekend. Het aantal strafpunten maal twee betekende het aantal stokslagen.
De stof van het habijt voelde ruw aan als de kleine Marga zich naar hulp zoekend aan een zuster vastklampte, uit angst voor de straf. Maar het kleine hoofd werd onbarmhartig naar beneden gedrukt; knielend moest ze de straf in ontvangst nemen. ‘doe boete, toon berouw voor je zonden!’ klonk de harde stem van de kloosterzuster.
‘Ik smeekte tot God als tot een vader, gewoon omdat ik verder niemand had, omdat ik verder geen naam wist die ik had kunnen aanroepen’ vertelt Marga met haperende stem.
De pijn van de slagen verdoofde haar zintuigen. Ze had willen gillen, om genade smeken en weglopen, maar ze mocht hoogstens zachtjes jammeren. Want klagen of zelfs schreeuwen betekende verzet. En verzet betekende afwending van God, de minachting van zijn wil. En dat was zonde. En zonden werden bestraft… Dus huilde Marga zachtjes voor zich uit en smeekte God om hulp; de God in wiens naam ze tegelijk de slagen kreeg.
Daarna moest ze bedanken voor de straf, nog steeds knielend en door de tranen en de pijn nauwelijks in staat te spreken.
‘s Avonds lag ze op haar smalle bed in de slaapzaal van het tehuis. Gebleekt linnen. De lucht van goedkope zeep. Het kraken van de linoleumvloer. De nachtzuster liep heen en weer, heen en weer, de hele nacht. Scheen met een felle lamp op de bedden van de meisjes om ongepaste handelingen te voorkomen. Je moest je handen boven de dekens houden.

Marga werd ouder. Ze droomde niet meer over haar ouders, maar over een man. Groot en sterk moest hij zijn. Hij moest haar beschermen, haar verdedigen tegen de rest van de wereld. Liefdevol en teder stelde zij zich hem voor. Hij moest haar troosten en de jaren zonder liefde, zonder warmte en tederheid weer goedmaken.
Ze dacht dat ze een ding zeker wist, toen, zedig ingepakt in gebleekt linnen: slagen en onderdrukking mochten nooit meer in haar leven voorkomen. Nooit, nooit meer…

En nu knielt ze weer neer om haar straf te ontvangen, vrijwillig, voor haar man. De strafpunten zijn gebleven, net als de vastgestelde dagen voor de afrekening.
‘Nu,’ zegt ze, ‘nu is het mijn vrije beslissing. Nu wil ik het. Toen was ik overgeleverd, nu lever ik mezelf over. Tijdens de strafscènes ben ik weer het kleine meisje van toen, maar tegelijkertijd ben ik ook de volwassen vrouw die dat wil.’

Haar man wist aan het begin van hun huwelijk niets van haar neigingen, net zo min als zij zelf. Ze merkte alleen dat het haar aan iets ontbrak, ofschoon het leven haar alles bood wat haar gelukkig had moeten maken. De ontevredenheid groeide, de geprikkeldheid.
Tot het haar man te bont werd. Tot hij – half schertsend – de dreiging uitsprak haar met de middelen van haar kindertijd tot rede te brengen.
Ze was ontzet, wees het idee af, was verontwaardigd. ‘Maar de gedachte liet me niet meer los. Steeds sterker werd ik me ervan bewust dat het precies was wat ik wilde. Ik was stom verbaasd. Mateloos. Hoe kon ik zulke verlangens hebben, hoe kon ik opgewonden raken van iets waaronder ik jaren gelden had? Ik schaamde me voor mezelf. Ik was een paar maal zelfs zover, dat ik vrijwillig in therapie wilde gaan. Ik vond mijn verlangen ziek, pervers.’
Marga kon met niemand over haar verlangens praten. ‘Ik was heel erg bang dat mensen tegen me zouden zeggen dat er iets aan mij niet klopte. Want zo voelde ik het zelf ook precies: er klopt iets niet aan me. Ik had geen enkel idee van het sadomasochisme, van de seksuele lust aan de onderwerping, aan pijn of zoiets. Hoe zou ik er iets over hebben kunnen weten?’
Maar haar masochistische fantasieën werden steeds sterker. ‘Ik stelde me voor dat hij me zou slaan, met een stok. Deze scène werkte ik dan steeds verder uit, en op het moment dat het afgelopen leek te zijn, merkte ik dat ik in gedachten precies de scène uit mijn kindertijd wenste. Maar dan met hem. En vrijwillig. In mijn voorstelling speelde liefde een grote rol, ent als vertrouwen, en zeker ook seksuele bevrediging.’
Ze werd steeds zekerder van haar eigen masochisme. Maar alleen zijn zelf. Bijna een jaar lang bleef het haar geheim.
‘Mijn aanleg was zoiets pijnlijks voor me. Ik wist zeker dat mijn man volkomen ontzet zou zijn en me zou verlaten als ik hem mijn wensen zou openbaren. Toch heb ik steeds weer toespelingen gemaakt, over mijn kinderjaren en over de strafdagen verteld en gehoopt op die manier het netelige punt aan te kunnen roeren. Maar hij vermoedde natuurlijk dat ik zo vaak daarover praatte, omdat ik er nog altijd onder leed, en troostte me vol liefde…’
Op een keer in het weekeinde tenslotte – de kinderen waren niet thuis – zette Marga alles op een kaart, ‘met hulp van een paar Martini’s en een strafboek’, zoals ze zegt, ‘Hij begreep het godzijdank snel. En wat belangrijker was: hij had er zelf zin in.’

Marga heeft het gewone burgerlijke leventje nodig, na afloop, als het strafritueel voorbij is, de jaloezieën opgetrokken zijn en de kinderen weer thuis zijn. ‘Dat zijn wel mijn twee polen, mijn basisbehoeften: gezin, vertrouwen, zekerheid aan de ene kant, onderwerping, angst, pijn, lust, overgave aan de andere kant.’
Ze is gelukkig met haar leven, met haar liefde, met haar man. ‘We hebben een prima relatie en een opwindend seksleven. Ik voel me ook in geen enkel opzicht onderdrukt. Mijn man acht me hoog; hoe zou hij dat beter kunnen bewijzen dan door mijn behoeften serieus te nemen en ze te vervullen? Je hoort heel vaak het verwijt dat een masochistische vrouw de mannen erg gelegen komt. Ze zou hun zogezegd de legitimatie geven terug te keren in de aloude macho rol. Dat is onzin. Het is moeilijk met mij als masochistische vrouw samen te leven. Het betekent dat je de leiding moet nemen, het vraagt om gevoeligheid en een grote mate van medeleven. Want ik wil zeker niet liefdeloos in elkaar geslagen worden. Hij moet weten te balanceren tussen enerzijds mijn kinderlijk verlangen naar autoriteit en anderzijds mijn vrouwelijke seksualiteit en partner -zijn in het overige leven. Dat verlangt van een man van vandaag een totaal andere manier van denken: hij moet plotseling weer in praktijk brengen – tenminste binnen bepaalde grenzen – wat hij tot voor kort nog als onderdrukking en discriminatie moest beschouwen.’
Marga beëindigt uitgeput haar verhaal. Haar relaas klonk zeer overtuigd. Ik vraag haar of ze ook of afwijzing en onbegrip stootte.
‘Ik heb ondertussen al een paar keer geprobeerd met goede vriendinnen erover te praten. Maar dat heb ik snel weer opgegeven. Je hoeft er niets van te verwachten. De andere vrouwen werden regelrecht bang voor me, toen ze van mijn geaardheid hoorden. Intussen is het mijn, nee, het is ons beste geheim geworden, alleen al vanwege de kinderen.’
Ze voedt haar kinderen modern, vrij en liberaal op. Ze zijn nog nooit geslagen, en ze zullen ook nooit een pak slaag krijgen. Niet van hun vader en ook niet van Marga.
‘Ik vind dat er niets erger en verwerpelijker is dan een weerloos mens te onderdrukken. Iets heel anders is mijn vrijwillige beslissing me te laten slaan. De lust die ik daarbij voel is van mij. Ik ben blij dat ik die tot uiting kan brengen, en niemand op deze wereld kan me wijsmaken dat dat verkeerd is.’

De deur gaat open, de heer des huizes komt thuis. Marga en hij omarmen elkaar, kijken elkaar liefdevol aan. Tussen beiden is een ongelooflijke spanning merkbaar.
Ik laat mijn blik nog eenmaal door de lichte, vriendelijke woonkamer dwalen, die op zaterdag een paar uur lang weer een donkere strafkamer moet worden.
Over welke stoel zou ze moeten gaan liggen?


By on 12:09
6 Engel tegen haar wil

Het verhaal van Sabine

Jaloezie en hoop komen tegelijk in mij op na het bezoek aan Marga. Jaloers ben ik op de sadomasochistisch getinte en tegelijk zo liefdevolle relatie die Marga met haar man heeft. Hoop geeft haar verhaal me niet minder: als anderen een dergelijke relatie kunnen hebben, waarom ik dan niet?
Deze hoop kenmerkt ook Sabine. Bij haar slaat de hoop echter in toenemende mate in vertwijfeling om.

Vertwijfeling is deze jonge vrouw zo op het eerste gezicht niet aan te zien. Want Sabine, zesentwintig, studente aan de kunstacademie, heeft alles waarvan manen dromen. Uiterlijk althans. Een fragiele en toch goed geproportioneerde, engelachtige gestalte met lange blonde haren en blauwe ogen, die elk mannenhart sneller zouden moeten laten kloppen.
‘De mannenharten kloppen ook wel, maar de mannen helaas niet,’ verzucht ze.
‘Mijn uiterlijk’, vervolgt ze, ‘hindert me eerder bij het zoeken naar de ware. Want iedereen associeert meteen: engelachtige gestalte – kindvrouw – behoefte aan bescherming. Ze geloven niet dat ik helemaal niet beschermd wil worden, of tenminste niet alleen, maar dat ik ook gekweld wil worden, vernederd en geslagen.’
Een hulpeloze blik uit grote blauwe kinderogen, en ik begrijp de mannen die deze gestalte willen beschermen, die geloven dat ze elk geweld van haar weg moeten houden, al het kwaad, de hardheid en kilte van deze wereld. Het lijkt bijna onmogelijk je voor te stellen hoe deze gepersonifieerde onschuld wellustig onder de zweep kronkelt, hoe ze zelfs geketend voor een man knielt…
Maar dat is precies wat ze wil. En niets anders.
Ze heft koppig het hoofd: ‘zo ben ik nu eenmaal!’
Dat ze zo is, weet ze pas sinds een jaar of drie. Het besef ervan was verrassend, en tamelijk heftig.

Drieëntwintig jaar oud was Sabine toen, en net op weg naar de volwassenheid. Vol verwachting. Vol spanning.
Ze was in die tijd een beetje bangelijk, plotseling op zichzelf aangewezen, overgeleverd aan het leven, zonder de moederlijke bescherming, de zekerheid en de geborgenheid van een welvarend ouderlijk huis.
Achter haar lag een modelleventje van drieëntwintig jaar.

De kindertijd: zon, lachen, vrede, vreugde. Geen onvertogen woord. ‘Ik werd in de watten gelegd, woonde in een glazen huisje.’
Vader was bijna nooit thuis: zaken, zaken. Lonende zaken. De huizen werden steeds groter, de auto’s steeds sneller, Sabines kleding duurder, haar kamers luxueuzer. Haar vader lachte altijd als hij er was. ‘Hij was altijd in een goed humeur en nam oneindig veel tijd voor me. Ik kreeg alles van hem wat ik maar wilde en hij liet alles staan en liggen als ik met hem wilde spelen.’
Sabine was de enige dochter. De trots van haar ouders. Tennis, ballet, viool en paardrijden.
Over de harde, kille werkelijkheid, over ongeluk, strijd, leed en ziekte hoorde het meisje nooit iets. In plaats daarvan werd ze afgeschermd. Met succes: ze leefde gelukkig en zorgeloos van dag tot dag en ontwikkelde een overeenkomstige voorstelling van haar toekomstig leven.

Het zorgeloze bestaan zette zich ook voort toen ze een leuke tiener werd. ‘Ik verkeerde alleen in de betere kringen. Privé-school, geselecteerde vrienden, literatuur, klassieke muziek.’
Het eerste vriendje, de zoon van een buurman, voegde zich onopvallend en perfect in het totale beeld van het glazen- huisjesbestaan van haar puberteit. Hun beider ouders waren reuze blij over de keuze van hun kroost. In de zomer maakten ze een zeiltocht met hun eigen jacht. Sabines moeder legde knipogend een doosje schuimtabletten in de lade van haar nachtkaste.
De eerste keer: in de mahoniehouten kajuit van de zeilboot van haar vader. De gebeurtenis, die geen gebeurtenis was, paste in het beeld; tederheid, geduld, respect.
‘Mijn hele leven was als een vrolijk klaterende beek. Altijd in hetzelfde ritme. Niets verstoorde, niets onderbrak het.’
De scheiding van de eerst man in haar leven was geen drama. De tweede, iets ouder, schikte zich niet minder goed in haar leven.
Zo leefde Sabine haar zorgeloze leventje, omhuld door een sluier van vriendelijkheid en warmte.
Bij haar eindexamen haalde ze heel mooie cijfers. Niemand zou iets anders verwacht hebben. Het paste gewoon in haar levensritme. Ook haar keuze voor de kunstacademie verraste niemand. Ze wilde galeriehoudster worden, maar dan met een solide opleiding. Sabine kreeg gelijk een studieplaats.
Het begin van de studie betekende echter ook afscheid. Afscheid van de ouderlijke woning, van de zonnige, zorgeloze tijden in het glazen huisje. De academie was driehonderd kilometer ver in een grote stad.
Natuurlijk werden kosten noch moeiten gespaard om het doorsnijden van de band voor Sabine gemakkelijker te maken. Een nieuwe Volkswagen Golf stond voor de deur: ze moest flexibel zijn, onafhankelijk. Ook een kleine eigen woning in de buurt van de academie was vanzelfsprekend. En de maandelijkse toelagen zouden de rest doen.
Vol verwachting reed Sabine weg in haar nieuwe auto. Haar ouders wuifden lachend in de achteruitkijkspiegel: nog eenmaal zon, vrede, vreugde. Het avontuur kon beginnen.

Ontnuchtering.
De genadeloosheid en de kilte van de realiteit van het leven buiten het glazen huisje, de anonimiteit en de hectische sfeer van de grote stad verpletterden Sabine. ‘Ik was plotseling niets meer. Naamloos, hulpeloos, zonder bescherming.’
Ze zwierf door de straten en langs allerlei mensen. Vluchtige kennissen. Voor de eerste keer in haar leven werd ze niet op haar wenken bediend, werd ze uitgelachen en afgewezen.
Het ergste voor haar was de onverschilligheid van haar medemensen. Zij, die jarenlang in het middelpunt van het leven van haar ouders had gestaan, die altijd geliefd, steeds begeerd en altijd eigenlijk iets bijzonders was geweest, moest plotseling meemaken dat mensen ongeïnteresseerd aan haar voorbij gingen. Hier in de stad was ze maar een doorsnee meisje, een druppel in de zee, onbeduidend.
Voor de eerste keer voelde Sabine zich alleen. Ze reageerde panisch. Aan de woning had ze maar weinig steun, de auto gebruikte ze niet, en ook de pakjes die haar ouders regelmatig stuurden gaven haar geen emotionele zekerheid.
‘Ik voelde me als in een maalstroom van onoverzienbare gevaren, als op glad ijs, alsof ik elk moment uit zou kunnen glijden of naar beneden vallen. Ik had geen vaste grond onder de voeten, geen zekerheden.’
Het huis werd haar vesting. Sabine ging alleen naar buiten voor de colleges van de academie.
et leek alsof de roze bril waardoor ze het leven tot dan toe bekeken had, was afgerukt. Alles leek nu vreemd voor haar. Tot diegenen die in deze vreemde wereld groot geworden waren, vond ze haar weg niet. Ze knoopte geen contacten aan op de academie.
Toen op een dag haar vriend uit allang vervlogen meisjesjaren op bezoek kwam, moest ze vaststellen dat ze elkaar niets meer te zeggen hadden. Hij leek voor Sabine een ongeloofwaardige getuige van een wereld die ver buiten elke werkelijkheid lag.
Sabine sloot zich af. Boeken, boeken en nog eens boeken. De bibliotheek werd haar tweede huis.

In de bibliotheek leert ze op een dag Ingrid kennen.
Ingrid is in de veertig, aantrekkelijk, moedig, een vrouw die midden in het leven staat, zelfbewust, geslaagd. Ingrid kent de stad, het leven en de wereld. Ze weet wat ze wil. Ze krijgt wat ze wil.
En ze wil Sabine.
Die is eerst alleen maar blij over haar nieuwe vriendschap en over de moederlijke steun die Ingrid haar verschaft. Er komt weer een zweem van warmte en zorgeloosheid in Sabines leven. Ze leunt achterover en geniet van haar jeugd, die schijnbaar weer opleeft.
Ingrid neemt het roer over. Twee kleine woningen zijn onhandig protesteert ze; een gemeenschappelijke ruimte is veel beter. De kleine auto is overbodig, de gezinswagen van Ingrid is genoeg voor allebei. Ze moet haar blonde haar los dragen, haar kleren nonchalanter…
Sabine gehoorzaamt, dankbaar. ‘Ik deed wat Ingrid wilde, ik at wat zij kookte, droeg wat zij uitzocht, was overtuigd van wat zij zei.’
Het contact met haar ouders verbreekt ze, ook op aanwijzing van Ingrid.
Sabine voelt zich veilig en geborgen. Ze negeert de deels wantrouwende, deels hatelijke blikken van haar medestudenten als Ingrid al ongeduldig op de claxon drukt, op het moment dat het college nog maar net afgelopen is. Naïviteit? Argeloosheid? Of is het gewoonweg alleen gemakzucht die Sabine steeds verder in Ingrids vangnetten drijft?
Ze weet het niet. Ze is alleen maar opgelucht, eindelijk niet meer zo alleen.

Maar plotseling wil Ingrid meer. Tederheid. Sabine deinst terug, ontzet. ‘Dat had ik nooit zo gewild; ik zou ook nooit op het idee gekomen zijn dat ze zoiets van plan kon zijn.’
Sabine voelt zich steeds sterker bedreigd. Uitgerekend door de vrouw van wie ze zekerheid en bijstand hoopt te krijgen en tot dan toe ook gekregen heeft.
Het onvermijdelijke gebeurt. En al snel is er geen avond meer waarop Ingrid niet bij Sabine in bed klimt. Als op de vlucht verlaat Sabine haar bed, soms ook haar kamer, eenmaal zelfs de woning.
‘We spraken er met geen woord over. Maar de volgende avond gebeurde hetzelfde weer.’

Op een avond is de maat vol: Sabine wil niet meer. Ze wil haar rust, wil haar evenwicht terug, wil eindelijk weer eens ongestoord naar bed kunnen gaan. Zelfs de eenzaamheid neemt ze daarvoor op de koop toe. Ze wil een eigen woning.
In een vlaag van moed en vastbeslotenheid deelt ze dit aan Ingrid mee.
Die luistert naar haar, heel rustig en aandachtig.
Als Sabine haar heftige voordracht tot een einde gebracht heeft, lacht ze. een bedrieglijk lachen. Bliksemsnel pakt ze Sabine vast en slaat haar in het gezicht. Ze snauwt de jongere vrouw toe: ‘Hier gebeurt er wat ik bepaald, begrepen mijn engel? Je blijft hier, bij mij, en met die grillen is het over! Vanaf nu bestaat er voor jou nog maar een ding: onderwerping.’
Sabine slikt als ze dit vertelt. Dan gaat ze haperend verder: ‘Ik weet dat ik weg had moeten gaan, ik had me zo nodig met geweld moeten losrukken, maar er was iets dat me weerhield. Niet alleen angst. Er was nog iets anders. Die uitdrukking in haar ogen, die enorme uitstraling vannacht fascineerde me ongelooflijk. Ik bleef.’

Ruim een jaar bestaat er voor sabine maar een ding: Ingrid. Ingrids wil, haar tederheid, haarliefde, haar slagen.
Ze moet haar studie opgeven, elk contact met de buitenwereld verbreken. Ze wordt in het nieuw gestoken, in overeenstemming met het doel: lederen ondergoed, jarretels. Er zijn ook ketenen en zwepen.
Ingrid leeft zich uit. Haar erotische fantasie lijkt grenzeloos, haar lust niet te stillen. ‘Er ging geen avond voorbij of ze maakte van mijn diensten gebruik,’ vertelt Sabine. Zo nu en dan bekruipen de twijfels Sabine en ook schaamte. Dit gebeurt meestal overdag, als ze alleen thuis achterblijft, ingesloten door Ingrid.
‘Maar ik had geen werkelijk alternatief. De beslissing was: Ingrid of de eenzaamheid.’
Dus blijft ze.
En lijdt.
En geniet.
‘Ik had gevoelens die gewoon waanzinnig waren. Als ze me geslagen had en dan teder streelde, dan waren al mijn twijfels verdwenen. Voor de eerste maal had ik werkelijk erotische gevoelens. Voor de eerste maal vond ik lichamelijke bevrediging.’
Soms gaan ze uit. Naar chique restaurants of net zo chique feestjes. Sabine moet zich dan in stijl kleden: onder haarjurk is ze naakt, om haar hals draagt ze een hondenhalsband. Dat laat geen twijfel bestaan over haar lot en de status van Ingrid.
Ingrid bestelt, voor beiden. Sabine kijkt deemoedig naar de grond. Afwijzing wordt bestraft, direct en consequent.
Een paar maal knielt Sabine op het tapijt van een duur etablissement om in stilte haar straf te ontvangen. Ze kunnen rekenen op de aandacht van de overige aanwezigen. Sabine schaamt zich. En Ingrid geniet.
Ingrid krijgt er steeds meer plezier in Sabine voor het oog van andere mensen te vernederen. Bijna dagelijks nodigt ze mensen uit in de gemeenschappelijke woning om een publiek te hebben waaraan ze Sabine kan laten zien. Meestal zijn het vrouwen, Domina’s of zij die dat willen zijn, allemaal lesbisch.
Natuurlijk bewonderen ze Ingrid mateloos, haar superioriteit, haar kracht. Soms sidderen ze bijna een beetje met Sabine mee, als Ingrid wat al te hard op haar slavin in slaat en haar tot steeds vernederender handelingen dwingt.
Een toneelstuk met Ingrid als onbetwiste ster en regisseuse tegelijk.

Van genegenheid was geen spoor meer.
‘Eigenlijk hadden we helemaal geen liefdesverhouding meer. Zelfs onze vriendschap bestond niet meer, hoe die er ook ooit uitgezien mocht hebben. Ze voerde alleen nog maar een show met me op. Ik was alleen nog maar een instrument van haar geldingsdrang. Ik, als persoon, speelde voor haar totaal geen rol meer. Dat deed me verschrikkelijk pijn. Ik voelde me in deze tijd heel alleen, ook als ik met haar alleen was, zelfs als ze me streelde. Het begon allemaal steeds meer op een groteske film te lijken. Elke scène was gericht op het publiek, ook als er helemaal niemand bij aanwezig was. ‘
Toch lukte het haar nog niet zich van Ingrid los te maken. ‘Ik voelde me intussen eenzamer en verlatener met haar dan ik me ooit tevoren gevoeld had, ook in de tijd dat ik werkelijk alleen was. En toch had ik nog altijd niet de kracht om weg te gaan. Het lukte haar steeds weer mij gewillig te maken. Ze had zoiets – het is ongelooflijk moeilijk te beschrijven – een uitdrukking, die het me volstrekt onmogelijk maakte me aan haar wil te onttrekken.’

Op een avond las Sabine Het verhaal van O. Ingrid had haar het boek in handen gedrukt. ‘Zodat je weet wat ik nog allemaal met je van plan ben…’
Sabina las het boek meteen een paar keer, met tranen in haar ogen. ‘Ik weet dat het belachelijk klinkt, volkomen pathetisch, maar het verhaal greep me heel erg aan. Ik vond de liefdesverhouding van O met Rene zo fascinerend, en nog meer natuurlijk haar latere grote liefde voor Stephen. Plotseling brak er iets in me. Ik lag op bed en huilde de longen uit mijn lijf. Ik wilde ook zo bemind worden als O. Ik wilde ook getuchtigd en onderworpen worden als zij, maar door een man, van wie ik houd. En die van mij houdt.’
Het verhaal van O had een bijna therapeutische werking op Sabine. Ineens had ze haar zelfbewustzijn en haar moed terug. Ze verliet Ingrid hals over kop en trok naar een andere stad.
Ze wilde een nieuw leven beginnen.
Weer was Sabine alleen. Weer was alles vreemd voor haar. En haar vooruitzichten waren wel wat slechter dan bij de eerste nieuwe start: geen huis, geen studieplaats, geen auto, geen ondersteuning door haar ouders.
Toch sloeg Sabine zich erdoorheen. ‘Ik had zomaar opeens een enorme energie. Ik wist nu wat ik wilde, en ik had me vast voorgenomen dat ik ook zou krijgen wat ik wilde. Voorlopig was het heel belangrijk dat ik vaste grond onder de voeten zou krijgen. Een fundament zogezegd, waarop ik me dan kon buigen en onderwerpen, zo gauw de ware zou komen.’
Het fundament had ze snel voor zichzelf in orde. al gauw beschikte ze over een bescheiden, maar zelf gefinancierde woning, een baan en uitzicht op een studieplaats voor het komende jaar.
Sabine slaakte een zucht ver verlichting: ze had het voor elkaar gekregen.

De grote geestelijke instorting kwam volledig onverwacht.
‘Heel onverwacht. Ik was gelukkig geweest en had me fantastisch gevoeld zolang ik het doel voor ogen had om aan een huis en een baan te komen. Dat was ook allemaal heel go gelukt. Maar met de rust kwam ook de grote paniek. Ik voelde me alleen, en eerlijk gezegd ontbrak het me ook aan bevrediging, de seksuele vervulling. Tenslotte had die seks een dik jaar centraal in mijn leven gestaan. En nu opeens: doodse stilte. Dat maakte me erg onrustig.’
Sabine zocht niet naar een willekeurige seksuele belevenis, niet naar een willekeurige man. Ze wilde de ware.
‘Hoe de ware nu precies zou zijn, wist ik zelf niet. Eigenlijk stelde ik me hem voor zoals Ingrid helemaal aan het begin was: zelfverzekerd, dominant en superieur, maar ook vol warmte en tederheid. Wat ik zocht, was een man die van me zou houden en mijn hele persoonlijkheid serieus zou nemen, zowel mijn behoefte me te onderwerpen als mijn aanspraak op geluk.’

Sabine zocht een droomman. Zonder plan. Ze zwierf langs kroegen, spelde de contactadvertenties en schreef brieven.
De ware was er nooit bij.
‘Dat was heel ontnuchterend en teleurstellend. Er waren er genoeg die mij wilden. En er waren er veel bij die op het eerste gezicht alles hadden waarop ik hoopte. Een paar deden ook werkelijk hun best mij gelukkig te maken. En toch ging het niet. Het zijn vaak maar kleinigheden geweest waardoor een verhouding al vanaf het begin misliep, een valse nuance in een gesprek bijvoorbeeld, en dan liep het al fout.’
Sabine heeft haar illusies allang verloren. ‘Ik geloof dat het de meest gecompliceerde liefdesvorm is die er maar bestaat. Er kan zoveel fout lopen, er is zoveel wat er niet bij past. De meeste ontmoetingen liepen volgens twee verschillende basispatronen. Ofwel de mannen waren dolenthousiast en deden alle mogelijke moeite om me gelukkig te maken, en dan ging het niet omdat ze gewoon teveel moeite deden, zich teveel bekommerden om mijn bevrediging. Ofwel ze stortten zich zonder mededogen en bruut op me, ten koste van alles, en dan ging het echt niet. Ik heb tot nu toe geen man ontmoet die beide eigenschappen op een geloofwaardige manier in zich verenigde en ze allebei kon uitleven: warmte en sterkte, tederheid en dominantie.’
Toch heeft ze de hoop nooit opgegeven. ‘Ik verlang zo naar die ene man. Er is in mij een waanzinnige begeerte naar hem. Ik loop vaak door de straten en denk: eens moet hij toch komen, me gewoonweg bij de hand nemen en me leiden, vol liefde, maar beslist…’
tot nu toe is hij niet gekomen.

Sabine kan het verlangen, de onvervulde lust soms niet meer verdragen. ‘Een paar keer was ik al zover om Ingrid op te bellen.’
Toch deed ze dat niet. Maar ze heeft wel een paar andere vrouwen opgebeld: Domina’s die in de krant adverteerden.
Het waren teleurstellende belevenissen, maar dat had ze eigenlijk ook wel verwacht. ‘Kil, zakelijk en haastig gedoe.’
Wezenlijke dominantie heeft ze bij die vrouwen niet aangetroffen.
Een paar maal heeft Sabine haar geluk beproefd in ‘normale’ relaties. Het resultaat: ‘Vreselijk. Voor allebei. Het wezenlijke ontbrak de hele tijd, vooral in seksueel opzicht. Erna lag ik naast hem en vroeg ik me vertwijfeld af: tja, en nu? Er bleef een leegte over die me werkelijk pijn deed. Nee, zo gaat het niet. en eigenlijk zie ik ook helemaal geen reden de gevoelens in mij te verdringen die voor mij het leven en de liefde pas werkelijk opwindend maken.’
Dus blijft Sabine wachten: op hem, de ware.
Want ooit moet hij toch komen, haar gewoonweg bij de hand nemen…

Rijkelijk ontnuchterd verlaat ik Sabine. Mooie vooruitzichten zijn dat! Als het zelfs deze engelachtige gestalte niet lukt de ‘ware’ te vinden, hoe moet het mij dan lukken? Temeer daar we ons over deze ware precies dezelfde voorstellingen maken.
Ik zie mezelf in gedachten jarenlang door de straten zwerven, net als Sabine ervan dromend dat hij ooit toch nog komt, mij bij de hand neemt…
En terwijl ik me aan deze wensdromen overgeef word ik ouder en ouder…
Waarom is het voor een masochistische vrouw toch zo moeilijk een geschikte partner te vinden? Waarom is voor ons masochisten alles zo ingewikkeld?
Maar het is Marga toch gelukt in haar leven, haar lust, haar geaardheid in harmonie te brengen. Zij is gelukkig. Dat is er tenminste een.
‘Vergeet niet dat zij haar ritueel heeft,’ fluistert een boosaardige stem in mij. Het vervullen van een ritueel is beduidend eenvoudiger dan iets volledig onbestemds na te jagen.
Ze heeft natuurlijk gelijk, deze boosaardige stem die uit mijn binnenste spreekt: ik heb geen scène die ik kan naspelen, waarvoor ik alleen de passende rolbezetting nodig heb. Ik heb niets anders dan een vaag vermoeden. Ik weet niet wat lukt, ik merk alleen heel snel als iets niet lukt. En het meeste lukt niet.
Net als Sabine dreig ik ook te falen door de tegenstrijdigheid van mijn behoeften. Hij moet hard zijn, maar toch ook lief en zachtaardig. hij moet me onderwerpen, maar alsjeblieft alleen volgens mijn voorstellingen. Hij moet weten dat als ik ‘nee’ schreeuw, in werkelijkheid ‘ja’ schreeuw, maar hij moet ook weten dat ik soms nee zeg en ook werkelijk nee bedoel.
Verder nog wensen? Een heleboel!
Hij moet in alles superieur zijn, niet alleen in bed. Hij moet mijn masochistische geaardheid als fundament voor onze verhouding beschouwen, niet alleen maar als een mogelijke variant in de erotiek tussen ons. Toch moet hij respect voor me hebben, van me houden, me mijn vrijheid laten.
Ik ben een geëmancipeerde vrouw, en ik wil als zodanig geacht worden – en onderworpen. Hij moet weten wanneer ik waarvan te veel heb en wanneer waarvan te weinig. En bovendien moet hij ook wel eens zwak zijn. Een werkelijk superieure man hoeft niet overal en altijd zijn sterkte te demonstreren. Hij moet weten wanneer ik kind ben en wanneer slavin, wanneer partner, wanneer vrouw en wanneer alleen gewoon geliefde.
Daarnaast moet hij een man zijn die ik bewonderen kan. Anders kan ik namelijk niet van hem houden. Hij moet vast geworteld zijn, maar niet vastgelopen zijn. Hij moet een sociale positie bereikt hebben die het hem mogelijk maakt zich volledig aan mij en onze liefde te wijden. En dit moet voorhem dan het belangrijkste zijn. Toch mag er voor hem niet alleen dit ene zijn. Want anders wordt hij weer ongeloofwaardig. En dan kan ik ook niet van hem houden. En als ik niet van hem houd, dan kan ik me ook niet aan hem onderwerpen…
Zo simpel is dat.
Zo iemand moet toch te vinden zijn, ergens. Hoewel: ‘te vinden’ is alweer fout, dan kan alweer niet. Ik wil hem niet vinden, maar door hem gevonden worden.
Misschien zou ik mijn behoeften de wereld in moeten schreeuwen en op elke muur schrijve. Maar dat gaat ook al niet. Ik kan hem toch niet vertellen: ‘Kom op, onderwerp me maar, maar alsjeblief op die en die manier…’
‘De ware’ te vinden: een uitzichtloze onderneming?

Ik vlucht de dichtstbijzijnde kroeg in en wil net beginnen me zinloos vol te laten lopen, als de eerste mannelijke bewonderaar al aan komt sluipen. Hij kent me van college, fluistert hij zachtjes in mijn oor. Of ik soms zin heb met hem naar een concert te gaan? Waarom ook niet!
Terwijl ik naast hem loop, kijkt hij me verlegen van opzij aan, ontwijkt mijn blik, alsof hij zich nu al schaamt voor zijn bedoelingen.
Het concert is vervelend, het eten erna niet beter, en de jongen wordt steeds onzekerder. Dan waagt hij een vertwijfelde poging: ‘Zeg, heb je misschien zin om naar mij toe te gaan… ik bedoel… Niet dat wat je denkt… Maar ik heb een goede fles wijn in de koelkast staan…’
Die vragende ogen, die onderdanige blik, dat ‘niet wat je denkt’… Ik ontsteek in een kille woede. Ik denk aan Sabine, aan haar onvervulde dromen, aan mezelf en mijn niet minder onvervulde wensen en zou deze softe slapjanus, die zich voor elke vraag ook nog verontschuldigt, wel in zijn gezicht willen slaan.
‘Wees toch eindelijk eens een man!’ zou ik willen schreeuwen. Waarom kan hij niet gewoonweg zeggen: ‘Pak je tas, we gaan naar mij toe!’ Niet ruw, niet brutaal, niet scherp. Gewoon normaal. Rustig en beslist.
‘Slappe zak!’ schreeuw ik mijn volledig perplexe aanbidder verbitterd toe en maak me uit de voeten. ‘Grote nul!’
Ik geloof nauwelijks dat hij ooit zal begrijpen waardoor ik zo kwaad geworden zou kunnen zijn, terwijl hij toch alles geprobeerd heeft om vol medeleven en met grote terughoudendheid een zachtaardige band tussenons twee op te bouwen…
Ik stap woedend naar huis, gooi me op mijn bed en wens mezelf toe dat ik een van degenen was wier knieën week worden als ze zo vol respect worden behandeld .
Felicitaties aan de vrouwenbeweging. Jullie hebben ze fantastisch op de grond gekregen, de mannen. Rolwisseling! De man van vandaag stribbelt niet meer tegen. Verontschuldigen moet hij zich voor zijn wensen, voor zijn lust. Komt hij daadwerkelijk in de buurt van een vrouw, dan in elk geval beschroomd, onzeker, terughoudend en altijd vol begrip.
Deze mannen doen me denken aan die vrouwen die juist deze rol niet langer voor zichzelf konden verdragen en – met succes – ertegen ten strijde trokken. En deze strijd heb ik ook nog ondersteund! Ik ben heel eenvoudig veel te onzelfzuchtig.
Want hoe staat het nu met mij? Wat gebeurt er met mijn wensen? Ben ik eindelijk geëmancipeerd en nu kan ik niet meer tot uiting brengen waarin ik zin heb.


By on 12:08
7 Onderworpen macht

Onderworpen macht
Het verhaal van Cora

Een villa aan het water. Het ruikt naar geld en luxe.
Cora, de derde vrouw die ik bezoek, beantwoordt volledig aan de verwachtingen die de ambiance wekt.
Haar voornaam past uitstekend bij haar groene kattenogen, haar zwarte haardos, slanke figuur en rechte houding.
Ik kan me haar goed als Domina voorstellen: in zwart leer gehuld, een zweep in de hand. Maar als onderdanige slavin? Is hier misschien sprake van een verwisseling?
‘Nee, nee,’ stelt ze me lachend gerust en gaat me voor door het huis, dan de keldertrap af en tenslotte door een lange gang. Aan het eind van de gang opent ze tenslotte een zware ijzeren deur.
De adem wordt me bijna benomen: voor mij strekt zich een middeleeuwse folterkelder uit. Niets ontbreekt: kettingen, zwepen, kruisen, kooien, strafbokken, strekbanken, fakkels aan de muren.
Een moment denk ik zwaar te dromen. Maar deze folterruimte is net zo reëel als de aantrekkelijke veertigjarige vrouw, die mijn verbluftheid met een lachje beantwoordt: ‘Dit hier is mijn wereld. Mijn paradijs. Ik weet dat dat voor buitenstaanders heel macaber moet klinken…’
Ze strijkt liefdevol met haar hand over een zweep met negen riemen. ‘Hier lijd ik dus en ben ik gelukkig… heel gelukkig,’ legt ze uit, dromerig voor zich uit starend. Maar het was een lange weg hiernaartoe, een heel lange weg. En soms geloofde ik er niet eens meer in dat ik ooit zo zou kunnen leven als ik wilde.’
Cora, de naam is gegraveerd in het ijzeren schild dat de uiteinden van haar halsketting verbindt.
Cora is de naam die ze zichzelf gegeven heeft, als slavin.
Alleen hier heet ze Cora, in deze kelder, en alleen als ze slavin is, gehoorzame lustdienares, hoer, of welke rol haar gebieder haar ook maar toegedacht heeft.
Het is Cora’s bestemming zich absoluut en zonder voorbehoud te onderwerpen. Aan de foltering, aan de pijn, aan de zweep en iedere man die hiermee weet om te gaan. Cora bestaat om te lijden. En om te dienen.
Cora heet in het burgerbestaan Vera. En Vera’s bestemming is een heel andere. ‘Ik ben sinds mijn kindertijd op succes voorbereid. Het was tenslotte vanaf mijn geboorte duidelijk dat ik later de ondernemingen van mijn ouders zou erven. En ik voldeed ook braaf aan alle verwachtingen: eindexamen, studie economie, doctoraal enzovoort. Al in mijn kindertijd lag de wereld, of op zijn minst mijn omgeving, aan mijn voeten, zo begaafd, succesvol en leuk was ik. Later toen ik een volwassen vrouw was geworden, was dat niet anders. Door de mannen werd ik altijd buitengewoon hoffelijk en met groot respect behandeld. Tenslotte was ik de dochter van de chef en later gelijk bedrijfleider. Daarbij kwam ook nog mijn lengte,’ zucht ze. (Ze is minstens een meter tachtig lang.)

De wens om slavin te zijn had Vera ‘eigenlijk altijd al’, zegt ze. ‘Je had van die verhalen over slavinnen in het Romeinse Rijk of ook over Indiase tempeldienaressen. Zoiets stond me erg aan. Op een gegeven moment begon ik verhalen te verzinnen en schreef ze op.’
Zo ontstonden de ‘Vertellingen van Cora, een Romeinse slavin’. Meer dan zeshonderd bladzijden, in een onstuimig meisjeshandschrift op papier gezet.
De Romeinse slavin Cora woont in een paleis, omgeven door andere slavinnen. Ze hebben allemaal de taak hun meester geluk en bevrediging te schenken. Cora is de hoofdslavin; dat betekent dat ze de enige is die ook zijn bed mag delen en zich mag verheugen in zijn seksuele aandacht.
De meester, een adellijke Romeinse veldheer, geselt en foltert zijn hoofdslavin op alle denkbare manieren. Cora ondergaat de kwellingen deemoedig en vol trots. Elke kwelling verheft haar verder boven de andere slavinnen. Zijn slagen zijn niets anders dan een onderscheiding, een geschenk.
In de loop van het verhaal vallen de overige slavinnen uit de handeling weg, en de meester-slavin-relatie verandert steeds meer in een liefdesverhouding. Cora wordt de echtgenote van de meester en krijgt zelfs een kind. Overdag leidt ze een burgerlijk leven, maar ‘s avonds wordt ze weer de onderdanige slavin.
Vera alias Cora glimlacht. ‘Onbewust heb ik in deze verhalen steeds sterker geanticipeerd op de relatie die ik zelf ooit wilde hebben, en nu heb.’

De weg naar de vervulling van haar bestemming was echter lang. Haar eerste liefdeservaringen hadden helemaal niets weg van datgene wat Cora wenste.
‘Mijn eerste ervaringen met mannen waren volstrekt rampzalig. Ik had het dubbel zo zwaar vanwege de naam van mijn vader en mijn eigen succes in het werk. Ik verachtte mannen die in mijn aanwezigheid van bewondering en onzekerheid begonnen te blozen, zelfs begonnen te stotteren of zich juist begonnen aan te stellen. Het was zo vervelend. En dan de onzekerheid: bedoelt hij werkelijk jou of je geld, je status?’
De liefdeaffaires die ze had, verliepen allemaal volgens hetzelfde patroon. ‘De mannen vervielen in grote bewondering, voelden zich dan als snel minderwaardig, en aan het eind moest ik in de moederrol kruipen om ze weer moed in te spreken, moest ik me klein maken om hen groter te laten lijken. Ik moest me dus volledig in strijd met mijn geaardheid gedragen. Na een poosje heb ik dat opgegeven.’
Ze moest tot het inzicht komen dat ze van de gebruikelijke relaties niet hoefde te verwachten wat ze wilde. Maar haar dromen opgeven, afzien van haar gevoelens, daar kon geen sprake van zijn. Ze hooft zich nooit een seconde voor haar gevoelens geschaamd.

‘Ik heb dit huis na de dood van mijn vader gekocht en stukje bij beetje deze kelder ingericht. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Als voorbeeld dienden de schetsen uit mijn meisjesjaren, waarmee ik Cora’s vertellingen geïllustreerd had. Het heeft lang geduurd voor alles zo was als ik het hebben wilde, maar op een dag was deze kelder hier een getrouwe kopie van de tekeningen.’
Het ontbrak Cora/Vera nu eigenlijk alleen nog maar aan het belangrijkste: een meester. ‘Ik heb erg veel tijd besteed aan zoeken. Het was me duidelijk dat ik hem waarschijnlijk niet door een advertentie zou vinden, en gewoon op straat zou ik hem zeker ook niet tegenkomen. Ik zette mezelf dus niet onder druk, hoewel ik natuurlijk niets liever gewenst had dan van vandaag op morgen de geschikte man te vinden. Maar dat was nu eenmaal niet te verwachten.’
Vera, heel praktisch en koel berekenend: ‘Mijn seksueel en geestelijk heil was te belangrijk voor me om het met nog meer banale verhoudingen en de daarmee gepaard gaande teleurstellingen te belasten. Aan de andere kant had ik mijn seksuele behoeften, die bevredigd wilden worden. Er bleef dus maar een ding over…
Vera ging mannen kopen.

Tweemaal in de week komt zo’n man bij haar thuis. Steeds een ander. Vera overhandigt hem de envelop met het geld. Gezamenlijk dalen ze de keldertrap af. En dan verandert Vera in Cora, de gekochte dienaar in een meester. Cora schreeuwt om genade, terwijl ze tevoren – als Vera – er juist voor heeft betaald dat die niet verleend wordt.
Voor een vastgestelde en betaalde tijd is Vera Cora; in de folterkelder, die ze zelf heeft ingericht. Ze is een willoos object. Ze heeft geen rechten en geen eigen mening. De mannen die haar tot slavin laten worden, zijn vreemde, anonieme gestalten, die ze daarna nooit meer ziet. En zo moet het ook, want alleen in de anonimiteit, in een vluchtig geheel, lukt het haar zich volledig aan haar lust en seksuele bestemming over te geven.
‘Ik heb van die tijd genoten, ik vond zelfs een heel merkwaardige bevrediging in de vluchtigheid van deze ontmoetingen, misschien ook in de eenzaamheid van die dagen, want tenslotte zijn alle slavinnen eenzaam. Het was voor mij heel belangrijk dat ik niemand van die mannen kende, geen naam wist, niets. Dan waren er geen verwachtingen en dus ook geen teleurstellingen. Alles was gereduceerd tot een oppervlakkige gebeurtenis: pijn, onderwerping, slagen, vernedering. Dat heeft zo zijn heel eigen charme. Zeker, het was niet het grote geluk. Maar het was beslist een aanvaardbare tijdelijke oplossing. Ik moest me in de omstandigheden schikken. Dat is denk ik de prijs die een vrouw die zo’n ongewone neiging heeft, moet betalen.’

Vera’s moeder stierf toen ze veertig was. Haar dochter werd als enige erfgenaam plotseling eigenaar van drie grote reclamebureaus. Twee jaar lang investeerde ze, herstructureerde ze, waagde – en won: de bureaus groeiden, belangrijke klanten werden binnengehaald.
Vera leunde achterover, bevredigd. Cora leunde ‘s avonds over de middeleeuwse strafbok, telde mee met de zweepslagen. Ook zij werd bevredigd.
In het kader van de uitbreiding van haar onderneming werden nieuwe medewerkers aangesteld: tekstschrijvers, werktekenaars, fotografen. Op de dag van hun aanstelling werd er een bedrijfsfeest gehouden, in de chicste gelegenheid van de stad.
‘Het was zoals gewoonlijk. Er had zich een zwerm van vleiende medewerkers om me heen gevormd. Ik verveelde me en hoopte dat de avond snel voorbij was. Maar opeens ving ik een blik op, ergens uit de menigte. Het was een heel andere blik: helemaal niet bewonderend, eerder geringschattend. En hij trotseerde mijn blik.’
De man die haar zo zonder respect getaxeerd had, stapte op haar af. Een nieuwe fotograaf, zonder grote staat van dienst en nauwelijks zo groot als zij zelf. ‘Hij zie heel gelaten: “We gaan weg”, en ik ging mee.’

Sinds die dag gaat ze overal heen waar hij maar wil. ze doet wat hij beveelt, draagt wat hij mooi vindt.
‘Het is een vreselijk spannend spel. Overdag op het werk ben ik immers zijn meerdere, zijn werkgever. En dat laat ik hem merken ook. Hij moet bij alle besluiten om toestemming vragen, moet mijn kritiek slikken, mijn grillen verdragen. En ‘s avonds… Natuurlijk drijf ik dit spel heel vaak op de spits, dat wil zeggen, ik zet hem heel bewust op zijn plaats, ook in het bijzijn van andere medewerkers, die niet weten dat we samen iets hebben. Hij moet dan alles van mij slikken. Maar zijn blik, zijn lachje vol begrip geeft me de zekerheid: de avond zal komen, de afrekening… Het is heerlijk, die vervulling. Dat wil zeggen: het is mijn vervulling.’
Ze weet dat deze vervulling mede door de omstandigheden bepaald is. ‘Ik geloof niet dat ik alleen Cora zou kunnen zijn, altijd de deemoedig aan hem overgeleverde slavin, als er niet die totaal tegenovergestelde verhouding op het werk was. Misschien heb ik deze tegenstelling juist nodig om van beide rollen zo intensief te kunnen genieten. En wel zonder de angst van verlies. Over de mogelijkheid dat alles op een dag voorbij kan zijn, denk ik helemaal niet na. Ik ben gelukkig, verschrikkelijk gelukkig zelfs’

Vera geeft toe aan haar geaardheid, aan haar wens naar onderwerping en vernedering. En toch gebeurt dat alleen in het verborgene. Haar slavenbestaan, dat toch een niet minder belangrijk deel van haar leven vormt dan haar bestaan als ondernemer, speelt zich in een wereld af die streng gescheiden is van de buitenwereld. Stoort deze verborgenheid haar niet?
‘Nee,’ antwoordt ze op mijn vraag, ‘integendeel. Ik geloof dat juist in de verborgenheid een zekere opwinding lift. Ze verbindt de beide partners veel sterker dan een conventionele relatie. Natuurlijk zou ik mijn geaardheid volop aan iedereen kenbaar kunnen maken. Natuurlijk zou ik me net zo goed heel officieel tot slavin kunnen laten benoemen en me overeenkomstig gedragen. Maar dat heeft iets van goedkope provocatie. En bovendien zou dat niet rijmen met mijn wens om als geëmancipeerde vrouw en succesvol ondernemer erkend te worden. Onze maatschappij is nog lang niet zoveer dat ze de beslissing kan accepteren dat je als gewillige slavin een man dient, als uitdrukking van en vrij, geëmancipeerd bestaan als vrouw. Ik zie toch hoe ik door mijn optreden in het openbaar en mijn sociale status ingedeeld word. Ik ben Vera, de succesvolle, dynamische en geëmancipeerde vrouw, die alle touwtjes in handen heeft. Punt uit. Niemand zou het toch kunnen verwerken als ik plotseling zou bekennen dat ik me veel liever onderwerp. Ik zou snel als psychotisch gediskwalificeerd worden. Vermoedelijk zouden ze mijn geaardheid op een of andere traumatische jeugdervaring terugvoeren, en daarmee zou dan de orde weer hersteld zijn. Maar ik zie graag af van zulke psychologische verklaren van de koude grond, vooral in deze materie, waarvan het wezenlijke is dat ze buiten alle verklaringen en regels bestaat. Ik houd er niet van dat juist het geheimzinnige aan de erotiek vernietigd wordt doordat je met iedereen en bij elke gelegenheid over je intieme leven spreekt. Ik wil juist afdalen in een geheime, donkere wereld, waarin alleen hij en ik toegang hebben. Ik wil het en heb het nodig.’
Heel beslist zegt ze dat, meer Vera dan Cora, en ze strijkt dromerig over een geknoopte zweep.


By on 12:06
8 Leven in twee werelden

Leven in twee werelden
Het verhaal van Ulrike

Ulrike, zesenveertig jaar oud, leer ik in een afgelegen hotel aan de rand van een grote stad in Westfalen kennen, nadat onze afspraak diverse malen verschoven is en ze de plaats van ontmoeting herhaaldelijk veranderd heeft. Een valse bril draagt ze, en een valse naam. Ze hecht aan anonimiteit. Daarop heeft ze tenslotte haar bestaan gebouwd: sinds meer dan twintig jaar leidt ze een dubbelleven.

Ulrikes jeugd verliep heel conventioneel. Haar ouderlijk huis was burgerlijk, door puriteinse principes gekenmerkt. Het meisje paste zich aan: haar schooltijd en de eerste vriendschappen verliepen volgens de moralistische richtlijnen van haar ouders.
Ulrike, zo zegt ze nu zelf, was een ‘doorsnee-kind van doorsnee-schoonheid, met een doorsnee- intelligentie en met een doorsnee-jeugd’.

Tegenwoordig is Ulrike allesbehalve een doorsnee-vrouw. Ze is een meesteres in het omschakelen tussen twee totaal verschillende werelden.
De ene wereld: haar zelfverkozen slavenbestaan. Een bestaan waarin ze zich volledig overgeeft, ‘alleen nog maar object wil zijn, haar heer en meester ten dienste staat’.
Waren er in haar kindertijd al aanwijzingen voor een masochistische houding?
Ja, toch wel, een paar belevenissen in haar jeugd schieten haar na enig nadenken te binnen.

Vechtpartijen op het schoolplein. Maar het gaat haar er niet om te winnen. Dat weet ze tegenwoordig, als ze terugkijkt. ‘als ik verloor, dan had ik een veel groter gevoel van triomf.’
De overwinnaar knielt boven op haar, houdt haar lichaam in bedwang. Oefent macht over haar uit. Ze kronkelt zich onder hem, is hulpeloos. en toch: ze geniet stiekem van de pijn die het gewicht van het lichaam van de overwinnaar bij haar veroorzaakt. Ze geniet van de vernedering, de schande. En de aanmoediging van de anderen, de medescholieren die een kring om de vechtenden op het schoolplein gevormd hebben: ‘Kom op, neem haar te pakken!’ – ‘Uittrekken, alles uittrekken, trek al haar kleren uit!’ – ‘Wurg haar, maak haar van kant!’
Ulrikes ogen glinsteren als ze dit vertelt, in het vale licht van de verduisterde hotelkamer.
‘Ik keek hem altijd recht in zijn ogen, mijn overwinnaar. Hij genoot van mijn angst. en ik genoot van zijn macht. De ogen van de machtige, van de rechter over goed en kwaad, de ogen van degene die op dat ogenblik mijn leven in zijn hand had. En de spanning. Wat gaat hij met me doen?;
Al te genadige overwinnaars, die het bij een ‘kietelkuur’ laten, wekken bij haar slechts teleurstelling op. Daarna is ze onrustig, zoekt snel het volgende gevecht. Zoekt verder, steeds verder…
In een pak slaag toont ze als kind geen interesse. Integendeel zelfs: ‘Ik was opgelucht dat ik geen slaag kreeg. De buurkinderen kregen vaak op hun donder, ook wel met een rietje of een leren riem. Ik was echt blij dat me dat bespaard bleef.’
Ondertussen vindt ze het fascinerend rovertje te spelen. Ulrike is een roverskind, altijd. Ze wordt gevangen genomen en met de andere rovers in de kelder van een bouwvallig huurhuis opgesloten. De rovers achter slot en grendel: het eind van het spel.

Een centrale gebeurtenis in haar jeugd is haar erg goed bijgebleven.
‘Op een dag, toen we als rovers weer eens gevangen genomen waren, riep een moeder ons plotseling. Iedereen stormde naar buiten, want we mochten daar beneden natuurlijk niet spelen; het huis was onbewoonbaar verklaard wegens instortingsgevaar.’
Iedereen vlucht, de deur naar de begane grond valt dicht en het licht is verdwenen.
Ulrike is alleen. In het donker.
Een nachtmerrie voor ieder kind. Alleen, vergeten in het enge donker van een leeg huis.
‘Eigenlijk een nachtmerrie. Maar ik vond het prettig. Op een eigenaardige manier beviel het me hulpeloos, overgeleverd te zijn.’
Een vreemde spanning overvalt haar. Net zoals bij de vechtpartijen op het schoolplein: haar lot ligt in handen van anderen, ze oefenen de macht uit over haar lichaam, over haar leven.
De redding kwam veel te snel. Teleurstelling. Zoals bij schoolgevechten. En daarna weer de onrust, die haar verder en verder drijft…

Eerste liefdeservaringen. Het gebruikelijke: een paar kusjes, omhelzingen. Geslachtsverkeer voor het huwelijk was ondenkbaar. Uiteindelijk kwam Rudolf. Ulrike nam deze relatie serieuzer dan alle andere. Waarom wist niemand precies.
De verloving vond ik familiekring plaats en een half jaar later trouwden ze. Op de foto’s straalt Ulrike. Maar de grote gevoelens ontbraken.
‘Ik dacht gewoon dat dat normaal was.’
Ze was wel benieuwd naar geweest naar de huwelijksnacht, de eerste seksuele ervaring. Haar moeder en peettante instrueerden haar in zusterlijke verbondenheid toen ze naar boven ging, naar de slaapkamer, waar de kersverse echtgenoot wachtte: ‘Laat het maar snel gebeuren, doe liefst je ogen dicht. Weet je, voor een vrouw is het alleen een offer…’
En dat was het dan ook werkelijk voor Ulrike: een offer. Op deze teleurstelling was ze echter goed voorbereid. ‘Ik had niet het gevoel dat deze werkelijkheid voor mij niet voldoende was, dat ik misschien iets anders wilde, dat ik een bijzondere geaardheid bezat. De werkelijkheid van alledag was teleurstellend, dat wist iedereen, dat was gewoon zo. Dus was het normaal dat ik teleurgesteld was. Mijn teleurstelling, de ontevredenheid en het onbevredigd zijn herleidde ik dus tot de algemene ontevredenheid van de vrouw. Het is nu eenmaal het lot van de vrouw, zo dacht ik, teleurgesteld te zijn, onbevredigd te blijven, en ook onrustig.’
Rudolf was aan het begin van hun huwelijk erg op seksuele bevrediging gespitst, echter alleen op die van hem zelf. ‘Om de dag kwam hij op mijn helft van het echtelijke bed, ging op me liggen, ogen dicht, kont omhoog – en het was alweer gebeurd.’
De innerlijke leegte was erger dan de vernedering en kleinering door een egoïstische man. ‘Ergens beviel de vernedering me zelfs; in bed liggen en ermee rekening te moeten houden: als hij zin heeft, dan pakt hij gewoon wat hij wil, zonder zich om mij te bekommeren.’
Ulrike werd zwanger. Maar in de vierde maand kreeg ze een miskraam. Ze lag lang in het ziekenhuis. Rudolf zorgde liefdevol voor haar, was heel attent. Na haar thuiskomst liet hij haar seksueel met rust.
Voorbij was de tijd van bang en toch blijde verwachting: misschien pakt hij gewoon wat hij wil.
Het leven ging verder: overzichtelijk, rustig, als een aaneenschakeling van dagelijkse rituelen.

Op een avond, op de terugweg van een bezoek aan haar moeder, overkwam Ulrike iets verschrikkelijks.
‘Ik liep door een rustige, nauwelijks verlichte zijstraat naar huis. Plotseling naderden er twee mannen, een van voren, een van achteren. Ik werd natuurlijk verschrikkelijk bang. Ik schreeuwde, wilde wegrennen. Tevergeefs. Ze trokken me de bosjes in; de een trok me de kleren van het lijf terwijl de ander me vasthield.’
Ze ligt naakt op de grond, in een vaste omklemming. Een van de mannen maakt zijn broekriem los, trekt zijn broek uit…
‘Op dat moment had ik het te pakken, anders kan ik het niet omschrijven. Mijn angst was weg. Ik was zo opgewonden als nooit tevoren in mijn leven. Seksueel, bedoel ik…’
Ulrike werd om beurten door beide mannen verkracht, in verscheidene posities, en ook tot vernederende handelingen aan de beide mannen gedwongen. ‘Ik moest bijvoorbeeld de penis van de een diep in mijn mond nemen, terwijl de ander me van achteren nam.’
Ergens diep in de nacht is alles voorbij.
Ulrike sleept zich naar huis, afgebeuld, bloedend, smerig, bezoedeld – en gelukkig.
‘Ik wilde het liefst in deze toestand verstarren. Ik ging eerst eens op een bank zitten en genoot heel intensief van wat ik zojuist beleefd had: de pijn, de vernedering. Ik wist dat dit het was. Alleen dit.’
Voor schaamte en ontzetting is bij haar geen plaats; daarvoor is het geluksgevoel te sterk, de bevrediging te intensief.
In de daaropvolgende week leeft ze helemaal op. ‘De hele tijd riep ik in gedachten de gebeurtenis, de beelden weer op, elk woord, elk moment, en steeds weer kwam dit gevoel terug…’
Ulrikes onrust verdween voor korte tijd. Haar huwelijksleven werd voor korte tijd hartstochtelijker. Negen maanden later kwam dochter Claudia ter wereld. Twee jaar later zoon Stefan.
Maar de onrust kwam terug. Het echtelijke seksleven zakte in. ‘Eenmaal in de maand was genoeg voor Rudolf.’

Voor Ulrike was dat niet genoeg. De hartstocht, de sterkte en de macht van haar driften, de onrust dwingen haar voor zichzelf tot een bekentenis: ze heeft het nodig.
Wat ze precies nodig heeft, weet ze zelf niet. Het is iets met pijn en onderwerping. Het woord ‘masochisme’ is haar vreemd, ook nu nog.
‘Aan een advertentie of zo durfde ik helemaal niet te denken. Ik was werkelijk zo naïef te geloven dat iedereen die de advertentie zou lezen, gelijk zou weten dat die van mij was.’
Maar op een gegeven moment, als de onrust te sterk wordt, als de lust het van de angst wint, rijdt ze naar de dichtstbijzijnde stad, veertig kilometer ver, om naar een seksshop te gaan.
‘Er waren alleen mannen, ik was de enige vrouw.’ Met een hoogrood gezicht schiet ze de zaak door, grijpt naar het eerste het beste tijdschrift, gooit het geld op de toonbank en rent naar buiten.

Het tijdschrift, een onschuldig blaadje met contactadvertenties, bevat niets wat Ulrikes fantasieën bijzonder opwindt: standaard seks, zij het met wisselende partners. Maar toch staan er een paar advertenties van mannen in die aanbieden tegen gepaste betaling alle wensen van een vrouw te vervullen.
Ulrike belt een van deze mannen op.
‘Ik vond het nogal pijnlijk vanwege het geld. En ik wist zelf nog niet eens precies wat ik wilde.’
Hij ‘verkracht’ haar, boeit haar, slaat haar met een zweep. ‘Lichamelijk was het geweldig. Maar de ernst ontbrak aan het geheel. Ik moest de hele tijd denken: hij doet dat nu, omdat ik het hem gezegd heb, omdat ik hem ervoor betaal…’

En toch: de gebeurtenis geeft haar moed. Er volgt een tweede bezoek aan de seksshop. Deze keer neemt ze de tijd. In het contactmagazine voor ‘kenners, die van iets bijzonders houden’, vindt ze advertenties die haar aanspreken: advertenties van heersers en meesters, die ‘iedere vrouw tot slavin africhten, tot een willoos object’.
Ulrike staat onder hoogspanning. Ze schrijft op drie aanbiedingen.
En wacht. Bang. Opgewonden.
Thuis gaat alles zijn gangetje. De kinderen zijn overdag bij haar schoonmoeder, zelf werkt ze sinds een tijdje halve dagen als secretaresse in heen handelonderneming. Daar laat ze ook de antwoorden naar toe sturen, als reclamefolder vermomd.

Als snel heeft ze een ontmoeting met een van de adverteerders: een ‘heerser, die weet wat slavinnen nodig hebben’.
Ulrike rijdt met hem naar zijn huis. Een tegengeluid geïsoleerde woonkamer. Hij komt gelijk ter zake. Aan overbodig geleuter heeft hij geen boodschap.
‘Hij ging zo hard tekeer, dat hij mijn huid bijna aan flarden sloeg.’
Dan strijkt hij er haastig en bijna onwillekeurig een desinfecterende zalf op. De volgende alstublieft.
Ulrike is geschokt, en toch lichamelijk bevredigd. ‘Aan deze gebeurtenis dank ik het besef dat ik pijn nodig heb, echt zware lichamelijke pijn.’
Haar rug brandt wekenlang als vuur. Ook nog als Rudolf de volgende keer voor de maandelijkse voltrekking van het echtelijke verkeer op haar rolt. ‘Het was een te gek gevoel.’ En ook Rudolf is blij over de hartstocht van zijn vrouw.

Als ‘genadeloze Dominus’ prees de tweede man zichzelf in zijn advertentie aan.
De ontmoeting met hem eindigt al voor zijn hotel.
‘Hij wilde precies weten wat ik wanneer, waar en in welke mate wilde hebben. Hoe kon dat nou! Ik weet dat niet en wil het ook helemaal niet weten. En ik zou het al helemaal niet willen bepalen. Ik had geen angst en geen spanning in me. Ik kan toch geen gebruiksaanwijzing leveren en dan weer in de rol van de onderworpene kruipen!’

Naar de ontmoeting met een derde adverteerder gaat ze eigenlijk tegen haar zin en al tamelijk gedesillusioneerd.
Een penthouse in een exclusieve flat in het centrum van de stad. Als Ulrike met de lift naar boven gaat, klopt het hart haar plotseling in de keel, zonder bijzondere reden.
De deur naar de woning staat open. Aarzelend betreedt ze het appartement.
Geen levende ziel, geen geluid. ‘Ik was in verwarring, het liefst had ik me omgedraaid. Maar iets hield me gevangen.’
Dan staat hij plotseling voor haar. Hij staat er gewoon en zegt geen woord.
‘Op dat moment was alles beslist, was mijn lot bezegeld. Ik wist dat deze man sterker was dan ik, tegen hem kon ik niet op. Ik wist dat ik aangekomen was, dat ik was waar ik altijd heen gewild had. Ik was direct volledig aan hem overgeleverd.’
De man, die ze met ‘Sir’ moest aanpreken, drukt ter begroeting haar hoofd naar beneden, trekt haar aan haar haren op de knieën. ‘Begroet me zoals het mij toekomt, jij ellendig slavenvarken!’ beveelt hij met gruwelijke monotone, koude stem.
Ulrike is helemaal weg. ‘Ik kon wel huilen van puur geluk.’
Maar voorlopig huilt ze eerst van pijn. Gewillig voert ze zijn bevelen uit. Knielend likt ze zijn voeten, dan zijn benen, ten slotte neemt ze zijn koninklijke lid in haar mond.
Hierbij is ze te opgewonden, te wild, te onstuimig. En daarvoor moet ze boeten. Hij laat haar aan een ketting door het enorme appartement kruipen en de grond kussen.
Tussendoor dient hij haar zweepslagen toe, en bepaald geen symbolische. ‘Ik werd voor de eerste keer werkelijk met een zweep geslagen. Het waren geen beschroomde aaien, en het was ook geen bruut erop los slaan, maar slag voor slag een goed gedoseerde pijn.’
Haar naam interesseert hem net zo weinig als haar verdere leven. ‘Je bent een verdomd slavenvarken, meer niet, begrepen!’
Ulrike begrijpt het en knikt enthousiast: dat en niets anders wil ze zijn.
Maar een ding zou nog mooier kunnen zijn, zou de bekroning zijn: zijn slavin te worden.
Maar daar wil hij eerst eens rustig over denken. Deze gunst moet ze eerst verdienen, door overtuigde gehoorzaamheid, door het bewijzen van haar totale onderworpenheid.
Ulrike gaat deze avond als in een warme deken gehuld, als op de wolken zwevend naar huis. ‘Ik zou van louter gelukzaligheid hebben kunnen huilen.’
De onrust is voorbij. Ze heeft haar doel bereikt. Ze heeft hem gevonden. Ze heeft haar geluk gevonden.
Cadeau krijgt ze niets, bespaard blijft haar net zo weinig in de in de eerste weken van haar proeftijd als slavin. Maar dat boeit haar juist nog meer.
Haar meester, haar heer en gebieder laat niets onbeproefd, geen kwelling, geen pijn, geen vernedering uit het brede arsenaal van dressuur- en foltermogelijkheden.
Ulrike lijdt, en geniet. Van de behandeling met hete was net zo goed als van het met naalden doorsteken van haar tepels en haar schaamlippen. ‘Ik stond op het punt om flauw te vallen, maar de vreselijke pijn dwong me ertoe stil te blijven, me volledig over te geven.’
Ulrike is trots op de tekens van Hem, op de lichamelijke bewijzen van haar bestaan als slavin. En ze is ervan overtuigd dat H, zoals haar meester zichzelf noemt, werkelijk van haar houdt, want tenslotte wijdt hij zich – ook al is het nog zo pijnlijk – aan elke millimeter van haarlichaam, terwijl Rudolf, haar man, ‘sinds jaren niet meer naar mijn borsten gekeken heeft, ze hoogstens door mijn nachthemd heen wild kneedt, kort voor hij zover is’.
Met H is alles anders, onvergelijkbaar intensief, en ondanks alles liefdevol. Daaraan veranderen de constante verbale en reële vernederingen niets. Want ze wee: ‘Ik ben een stuk oud vuil, een stuk vlees, waardeloos, vervangbaar, zuiver een object van zijn begeerte.’

Ulrike beschouwt het als de ‘mooiste dag in mijn leven’: de dag waarop ze het slavenexamen doet en ZIJN slavin wordt.
Want nu is ze opgenomen in de staf van zijn uitverkoren dienaressen en lustobjecten. Ulrike is niet de enige, want H beschikt over vijf vaste dienaressen, die allemaal in de voortdurende vrees leven verstoten of verkocht te worden.
Ook Ulrike leeft met deze angst. ‘Ik moet er dagelijks rekening mee houden dat hij me niet meer wil, dat hij me beu wordt.’
Dat hij nog anderen heeft, dat ze maar een van velen is, stoort haar niet. Integendeel, dat hort erbij. Hoe zou ik zijn wil kunnen bekritiseren, mij teweer stellen tegen hem en zijn beslissingen? Hij doet wat hij wil, en ik doe wat hij zegt.’

Driemaal per week doet ze alles wat hij zegt. ‘s Middags, bij hem in het penthouse. Al meer dan twintig jaar.
Verder blijft Ulrike wie ze was: echtgenote, moeder, en sinds jaren ook een steeds succesvoller zakenvrouw.
‘Dat met H geeft me zoveel energie, maakt me ergens onkwetsbaar. Hoe zou ik ook op zakelijk gebied vals respect kunnen hebben of bang kunnen zijn voor iets of iemand, nu ik toch in mijn tweede bestaan als slavin gewend ben, werkelijk alles te verdragen? Dit officiële leven is voor mij een spel, een belachelijk gemakkelijk spel. Ik ben volkomen ongevoelig voor vernederingen of machtsspelletjes van welke soort dan ook. Dat zal wel het geheim zijn van mijn snelle maatschappelijke carrière.’
Ook haar rol als moeder vormt voor har geen probleem: ze houdt van haar kinderen, besteed veel tijd aan hen.
‘Als slavin moest ik leren wachten, mezelf en mijn behoeften helemaal opzij zetten. De rol als moeder vereist niets anders: afwachten, er altijd zijn voor de kinderen, niets eisen, maar alles geven. Ik ben ervan overtuigd dat ik alleen daarom zo’n goede, begripvolle moeder ben geworden, omdat ik deze eigenschappen met de hulp van H volmaakt heb ontwikkeld.’
Ze heeft de discrepantie tussen haar officiële leven en haar bestaan als slavin nodig. Maar: van haar gezin zou ze in het uiterste geval kunnen afzien, van H niet.
‘Een echtgenoot als Rudolf vind ik op elke straathoek, de kinderen zijn volwassen, een vergelijkbare baan zou ik ook wel weer kunnen krijgen. Maar een dergelijke vervulling, zoals H me die geeft, zou ik waarschijnlijk nooit meer vinden.’

Of ze deze vervulling vindt, is ter beoordeling van haar meester.
‘Er zijn dagen dat hij mij niet wil zien. Of zich in ieder geval niet met mij wil bezighouden. Dan verlangt hij bijvoorbeeld dat ik zijn woning opruim, terwijl hij een andere slavin onder handen neemt.’
Dat doet pijn en is daarom herlijk.
Soms, als het H goeddunkt, leent hij haar ook uit. Tenslotte zijn heersers altijd bereid tot hulp aan elkaar, en niet iedereen heeft het geluk er meteen vijf gewillige slavinnen op na te houden.
Ulrike heeft er niets op tegen.

Ulrike heeft er ook niets op tegen, eens per kwartaal in de slavenclub ‘Justine’ voorgeleid te worden.
Daar wordt ze eerst naakt of in gepaste leren kleding geketend, aan een houten kruis gehangen of aan een paal gebonden en ter aanschouwing vrijgegeven, zoals andere slavinnen naast haar.
Nadat ze door de aanwezige heersers of ook wel Domina’s grondig in ogenschouw is genomen, is het tijd voor de gehoorzaamheidstest. Iedere heerser en iedere heerseres kunnen hierbij meebepalen welke prestaties een slavin moet verrichten en in welke vorm. Grenzen zijn er zo goed als niet. Alle soorten liefdesdiensten worden gevraagd, ook op het buitengewoon vernederende wijze aanbieden van haar lichaam onder extreme verbale vernederingen en beledigingen.
Daarna wordt gevoeligheid voor pijn getest. Ook hierbij worden er geen grenzen gesteld aan de wensen van de aanwezige heren en Domina’s. De slavinnen krijgen zweepslagen, worden geschopt, in pijnlijke standen vastgebonden en uitgerekt, met was en heet ijzer, naalden en klisteerspuiten behandeld. Wee degene die al te snel in klaaglijke geluiden uitbarst! Daarover kan iedereen vrijelijk beschikken; wie dat treft, is zonder meester en werkelijk alleen nog een object zonder uitzicht op vertrouwen of zelfs mededogen van de kant van de eigen meester.
Om tot slavin zonder meester verklaard te worden, daarvoor zijn ze allemaal bang. Hoewel ‘dat ook ergens wel heel opwindend is’ zoals Ulrike toegeeft. ‘Deze slavin wordt dan van meester naar meester geduwd of zelfs van Domina naar Domina, niet alleen bij deze gelegenheid, maar voor altijd. Net zolang tot ze zich zo bevredigend gedragen heeft, dat een of andere meester zich over haar ontfermt en haar weer tot zijn vaste slavin maakt.’
De beste slavin, dat wil zeggen de gewilligste en die met de minste taboes, die het langst de pijn nederig gedragen heeft, krijgt een prijs. die neemt natuurlijk niet zijzelf, maar haar heer en leraar in ontvangst.
H heeft heel veel prijzen in zijn woning staan. Drie daarvan bracht Ulrike voor hem in. Want taboes kent ze niet.
Bijna niet. ‘Met seks met dieren en kinderen heb ik niets. Maar H ook niet. Dus weiger ik ook niet gehoorzaam te zijn’.

Niet weigeren gehoorzaam te zijn, H niet kwaad te maken, dat is belangrijk voor haar. Niet alleen uit vrees voor straf, maar veel meer uit angst voor ontslag. Want Ulrike wordt niet jonger. En H is veeleisend, ook in esthetisch opzicht.
Het is nauwelijks te geloven hoeveel gewillige, knappe slavinnen van jeugdige leeftijd er zijn. Advertenties bijvoorbeeld van hem, H, hebben steeds een regelrechte stortvloed van smeekbeden en de meest onderworpen vleierijen om opname in de slavenstand tot gevoel. H kan dus kieskeurig zijn. Ulrike niet.
‘Over een paar jaar mag ik alleen nog maar bedienen. Dat gebeurt nu al steeds vaker.’
‘Bedienen’ betekent: Ulrike houdt zich met hem bezig, met zijn lichaam. Ze wordt steeds meer het actieve deel van de relatie. Hij maakt zich nauwelijks nog druk om haar lichaam, heel anders dan in het begin.
‘Dat doet natuurlijk pijn. In het begin bevredigde het me zo geweldig en maakte het me ook zo eindeloos gelukkig, dat hij zoveel lust ondervond door het uitdenken van steeds nieuwe martelingen voor mijn lichaam. Hij hield zich echtuitvoerig en intensief met mijn lichaam bezig. Hij wilde het bekijken als het zich verzette, als het sidderde, zich onder de slagen kronkelde, zich weer ontspande. Tegenwoordig trekt dat hem nauwelijks meer aan. Tegenwoordig moet ik ervoor werken, het afsmeken, dat hij zich daar weer eens een keertje toe verwaardigt. Hij slaapt ook nauwelijks nog met mijn, wat me natuurlijk ook erg veel pijn doet. Maar ik heb nog altijd de mogelijkheid om deze gunsten te vragen en ze door onderworpenheid te verdienen. Hoe het ook zij: het is mijn lot. Een slavin heeft maar te nemen wat ze krijgt. Ik wilde en wil het niet anders.

Met Rudolf, haar man, slaapt ze ondanks de afnemende belangstelling die H voor haar koestert, niet vaker; sinds een paar jaar zelfs nog maar eens in de twee maanden. Ook hij wordt ouder; de stress van zijn werk belast hem zwaar en beperkt zijn lichamelijke prestaties. Toch ziet Ulrike haar toekomst gelaten tegemoet. ‘Het voornaamste is dat H me niet helemaal verstoot’.
Ze heeft geen vastgestelde plannen voor haar toekomstige leven. ‘Dat past een slavin ook helemaal niet.’

Ze wacht van maandag tot woensdag, van woensdag tot vrijdag en van vrijdag tot maandag. Dat zijn H-dagen. Middagen. Drie uur. Nooit langer. Soms ook korter, als H genoeg van haar heeft.
Een paar wensen heeft ze, en die zijn allemaal verbonden met H en haar bestaan als slavin.
‘Ik verlang er naar me een tijd lang in volstrekte duisternis te bevinden, naakt, geketend. Een paar gemaskerde mannen halen me op. Een van hen is H, maar ik weet niet welke. Ze slaan me en sluiten me weer op. Ik weet nooit wanneer ze terugkomen, of ze ooit nog wel terugkomen. Maar ze komen altijd terug, verkrachten me, dwingen liefdesdiensten van me af en brengen me dan weer terug in mijn eenzame duisternis. Ik verlang er ook naar dat ze me zo hard behandelen, dat ik niet weet of ik deze behandeling zal overleven. Ik zou graag de grenzen willen verkennen.’
Ook de doodsangst?
In de nabijheid daarvan kwam ze al een keer, toen H haar wat al te lang met elektrische schokken pijnigde. Of haar hoofd iets te lang onder ijskoud of heet water hield.
‘Op zo’n moment breekt er iets in je. Het is de totale zelfovergave. Een roes!’

Haar echtgenoot beklaagt zich ondertussen bij zijn collega’s op het werk over zijn preutse vrouw.
Het echtelijke verkeer staat dan opeen steeds lager pitje. En als het ere al eens van komt, dan altijd volgens hetzelfde patroon, sinds twintig jaar: altijd in het donker en altijd hetzelfde standje.
Van Ulrikes wonden en littekens heeft hij nooit iets gemerkt. Een keer werd hij wantrouwig, toen Ulrike een paar dagen niet meer kon lopen: H had haar voetzolen wat te lang met een hete ijzeren staaf gemarteld.

De littekens aan haar voetzolen zijn haar grootste trots en worden door haar vol overgave verzorgd. Ze zijn het teken van haar slavin-zijn, ZIJN teken.
Mee heeft ze niet nodig, meer verlangt ze niet van hem.
‘H,’ zegt ze met de blik naar beneden, ‘H is de grote liefde van mijn leven, de vervulling, het oneindige geluk.’

Weer thuis na het gesprek met Ulrike, liet ik alles nog eens de revue passeren: vier gesprekken met vrouwen die masochistisch zijn, zoals ik. Vier vrouwen die voor hun masochisme uitkwamen en het in de praktijk brachten of dat tenminste probeerden.
Ik bleef achter. Ik was op een bepaalde manier opgelucht, omdat ik kennelijk toch niet alleen stond met mijn geaardheid. Ergens was ik echter ook treurig, omdat ik gewoon nog niet het grote geluk had gevonden zoals Cora of tenminste een beetje zoals Ulrike.
In geen van de vier vrouwen had ik mezelf helemaal herkend, hoewel er hier en daar wel parallellen waren. Maar uiteindelijk ontbrak er voor mij iets in elk van de vier levens- en liefdesverhalen.
Er was iets dat me stoorde bij alle vier de gevallen, zelfs al scheen de vervulling nog zo volledig…
De woorden van Vera, die zo graag Cora is, schoten me te binnen: compromissen sluiten, je aanpassen. Maar ik wilde geen compromissen. Ik wilde van niets afzien. Ik wilde precies datgene wat ik wilde.
Alleen: ik wist nog steeds niet wat ik eigenlijk wilde.

In de tijd na de gesprekken met Marga, Sabine, Vera en Ulrike bleef ik alleen. Ik was rustig, dacht veel na, was in mezelf gekeerd. ‘s Avonds lag ik in bed, alleen.
Alleen mijn boeken hielden me gezelschap. Ik las en las. Voor een korte tijd werd ik Justine. Een paar nachten lang was ik O. Meer bleef er voor mij niet over…
Eenzame dagen. Eenzame nachten. Nachten vol verlangen en onvervulde hartstocht.

‘Dat heb je toch nodig, slavin!’
Over het leed een masochist te zijn

Aan het eind van een van de vier zijden van de kruisgang bereikten we in het donker eindelijk een trap. De monnik beval me naar boven te gaan en volgde me.
Hij bemerkte de onwil in mijn binnenste. ‘Ellendig loeder!’ voegde hij me toe. Zijn voorkomendheid was plotseling verdwenen. ‘Je gelooft toch niet dat je nu nog terug kunt? Je zult nog wel merken dat het voor jou misschien beter geweest was in de handen van een dievenbende te vallen dan van vier monniken!’
Hij had dat nog niet gezegd of mijn ogen moesten verschrikkelijke dingen zien. De deur werd geopend, en ik ontwaarde drie monniken en drie jonge meisjes die rond een tafel zaten. Allemaal boden ze een verbijsterend ontuchtige aanblik. Twee van de meisjes waren volkomen naakt, en de derde was zich aan het uitkleden. Ook de monniken bevonden zich in een uiterst frivole toestand.
De monnik die me hierheen gebracht had, begroette zijn drie vrienden en wees toen op mij. ‘Hier is degene die ons nog ontbrak. Sta me toe dat ik jullie een echte rariteit presenteer. Dit meisje draagt het onmiskenbare kenmerk van haar maagdelijkheid.’
Zijn even duidelijke als aanstootgevende gebaar veroorzaakte een schallend gelach.
In zo’n gezelschap zou ik dus van nu af aan moeten leven! En ik had nog wel gedacht op deze plek alle deugden van de wereld aan te treffen.
Ze gaven me te verstaan dat het verstandigst was me net zoals mijn metgezellen te gedragen en zonder tegenspraak te gehoorzamen.
‘Het moet je duidelijk zijn,’ zei Raphael, de monnik, ‘dat je er op deze afgelegen plaats helemaal niets aan hebt als je je probeert t verzetten tegen onze wensen. Je hebt al zoveel ongeluk meegemaakt. Maar het grootste ongeluk dat een deugdzaam meisje kan meemaken, zul je pas op deze plaats meemaken. Maar je moet bedenken: op deze leeftijd nog maagd te zijn is tegennatuurlijk. Deze toestand kan niet tot in de eeuwigheid voortduren. Kijk toch eens naar je metgezellen! Ook zij verweerden zich eerst, toen we hun bevalen dienstbaar aan ons te zijn. Maar ten langen leste hebben ze ons gehoorzaamd, omdat ze erkenden dat elke weerstand hun slechts op mishandelingen zou komen te staan. En als je verstandig bent, denk jij er precies zo over. Hoe zou jij je ook kunnen verweren in jouw toestand? Wie zou je te hulp kunnen roepen? Toch niet soms de god die je zo ijverig aanroept, maar die jouw geloofwaardigheid alleen gebruikt heeft om jou in de val te lokken? Er is dus, zoals je ziet, geen macht in de hemel of op de aarde die je zou kunnen helpen in het bezit van je maagdelijkheid te blijven, waaraan je zoveel waarde hecht. En niemand of niets zal ons kunnen verhinderen je op elke denkbare wijze tot het voorwerp van onze ontuchtige losbandigheden te maken. Kleed je dus nu uit! Verdien onze welwillendheid door je volledig te onderwerpen. Want je moet rekening houden met de hardste en smadelijkste behandeling, als je ons niet gehoorzaamt!’
Ik viel voor Raphael op mijn knieën en smeekte hem mijn hulpeloosheid niet te misbruiken. Met tranen probeerde ik zijn medelijden op te wekken. Ik wist nog niet dat tranen een heel bijzondere opwinding veroorzaken.
Raphael liet zich niet vermurwen. ‘Pak dat loeder!’ riep hij.
‘Kleed haar direct voor onze ogen uit, en maak haar duidelijk dat mensen als wij geen medelijden hebben. *

* Uit: Markies de Sade, Justine

Als Mario komt, besluit ik: hij moet het zijn. Ik ben het wachten zat, het alleen zijn moe geworden. Ik wil eindelijk een keer leven, eindelijk een keer liefhebben, en vooral: eindelijk een keer lijden!
Misschien, zo zeg ik tot mezelf, heb ik altijd gewoon veel te hoge eisen gesteld. Misschien was ik er veel te veel op gefixeerd alleen precies datgene te krijgen wat ik in mijn dromen ooit bedacht had.
Maar dromen zijn maar dromen. Ik wil eindelijk ervaren hoe het in de werkelijkheid is. Als masochistische vrouw, als slavin.
Liever compromissen dan volledige onthouding, denk ik. En al te groot hoeven mijn compromissen misschien helemaal niet te zijn, zo lijkt het voorlopig, als ik Mario leer kennen.
Ik ontmoet hem toevallig, dus niet via een advertentie, en als we elkaar leren kennen, zijn er van mijn kant totaal geen voorstellingen of aanspraken. Een onschuldige voordracht over het milieu met aansluitend discussie brengt ons bij elkaar.
Maria is een twee meter lange reus, met een baard, een stevig postuur en een sonore stem. Hij straalt warmte uit, geborgenheid, en rust. Ja, en ergens ook…
We gaan een paar keer samen uit. Uit eten, naar de bioscoop en andere onschuldige genoegens. Eigenlijk wijst niets erop dat er tussen ons een liefdesrelatie zou kunnen ontstaan, en al helemaal niet dat het zo’n relatie zou kunnen worden als ik voor mezelf wenste.
Maar dan zijn er mijn dromen, mijn fantasieën en mijn grote, jarenlang opgestapelde hunkering en ook hartstocht: ik wil het nu eindelijk!
Wat is het toch gemakkelijk ineen doorsnee-mens dominantie en heerserseigenschappen te menen aan te treffen! Elke blik, elk woord kun je op deze manier duiden, als je het wilt. En ik wilde het zo.
Hij moest het gewoon zijn. en de uiterlijke kenmerken waren er in het algemeen niet mee in tegenspraak: hij was wat ouder dan ik, groter en had een goede baan. En dan die rust!

Na een paar weken waag ik de eerste stap. Door speelse aanduidingen spreek ik over mijn wens naar onderwerping, mijn lust aan de pijn.
Al had ik het gewild, veel duidelijker kon ik niet worden. Ik weet immers zelf nog niet veel meer over mezelf en mijn emoties. Ik kan mezelf niet beschrijven, mezelf niet in een hokje stoppen. Mijn wensen zijn gericht op iets met pijn, slagen en onderwerping; men noemt dat wel masochistisch, wat ik ben, en dat ben ik ooit te weten gekomen dank zij mijn uitstapjes in de literatuur erover. Maar daar is alles mee gezegd. Meer wil ik niet.
Mario is in elk geval enthousiast als ik hem duidelijk maak waar ik heen wil.
Precies dat, precies zo’n vrouw heeft hij zijn hele leven gezocht.
Daarmee staat hij niet alleen. Ik heb nog geen man ontmoet, onverschillig van welke leeftijd en uit welke sociale klasse, die zich na mijn bekentenis dat ik masochistisch ben, niet dolblij ter beschikking heeft gesteld. Werkelijk: geen een. Masochisten gezocht…
Mario wil me laten zien hoe de vork in de steel zit. Teder maar consequent.
Wat hij zegt, klinkt goed.
Ik krijg vertrouwen in hem en ben vol spanning: nu begint het eindelijk! Mijn onderwerping, mijn leven als slavin begint. Ik geniet van het gevoel niet meer aan hem te kunnen ontsnappen. Hoewel dat natuurlijk niet helemaal klopt: ik zou op elk moment kunnen vertrekken. Maar ik geniet van het idee: ik zou hem nooit ofte nimmer kunnen ontkomen.
Hij stelt een slavernij contract op, dat ik moet ondertekenen. Daarin verplicht ik mij, hem volledig – op elk tijdstip, op elke manier, voor al zijn wensen – ter beschikking te staan en zijn bevelen op te volgen. Het contract is hard geformuleerd, de waarden waarmee hij mij daarin beschrijft, bevallen me niet, maar ik denk: misschien hoort dat gewoon tot mijn onderwerping eraan. Ik moet gewoon leren ertegen te kunnen met zulke woorden vernederd te worden.
Dat zegt Mario ook. en hij zegt dat hij van me houdt. Ik geloof hem. Hij zal niets doen wat ik niet prettig vind, althans niets wat werkelijk tegen mijn hart ingaat. Ook dat geloof ik van hem. Temeer omdat hij voorlopig nog liefdevol en teder is. Ik voel me goed en geborgen bij hem, ik vertrouw hem volledig.

Wat Mario zei, klonk goed. wat hij deed, was minder goed. Maar dat registreerde ik pas veel later. Veel te laat.
Was het naïviteit? Of gewoon alleen maar het onvervulde verlangen naar de geschikte man, naar een leven als slavin, waar door ik het bij hem uithield, weken, maanden, jaren lang? Had ik gelijk aan het begin al moeten merken dat eigenlijk niets in zijn persoon beantwoordde aan wat ik nodig had en zocht?
Wat me misleidde, was zijn gestalte, was zijn postuur en zijn stem, was de uitdrukking in zijn ogen, die ik als liefdevol en toch ondoorgrondelijke ervoer. Was het in werkelijkheid kilte die uit zijn ogen sprak?
Wat me misleidde, was ook de beslistheid waarmee hij me na onze eerste nacht meedeelde dat ik bij hem moest blijven en mijn huis en vrienden moest opgeven. Of was het in werkelijkheid helemaal geen beslistheid, maar pure angst die hem ertoe bracht mij te isoleren van alles wat mijn verleden vormde?
Zijn blik was duidelijk en beslist, omdat ik wilde dat die duidelijk en beslist was. Zijn hand was sterk, omdat ik een sterke hand nodig had. Zijn bevelen waren goed, omdat ik eindelijk bevelen wilde opvolgen.
Maar dat begreep ik toentertijd niet. Ik geloofde aangekomen te zijn op de plaats waar ik altijd heen gewild had.

Mario en ik waren het erover eens: ik moest een gewillige, onderworpen slavin zijn, de dienares van mijn heer en meester.
Zo had ik het toch gewild, of niet? ‘Ja,’ zei ik vol overtuiging.
Het bestaan van een slavin kan heel uiteenlopende verschijningsvormen hebben. Het kan liefdevol geconstrueerd zijn, subtiel en meelevend op de desbetreffende persoon toegesneden zijn, fantasievol ingevuld worden en zo tot een bevrediging voor beiden worden. Het kan echter ook gereduceerd worden tot het puur functionele. En zich in dienst van een meester stellenkan passiviteit betekenen, pure overgave. Maar het kan ook het tegendeel betekenen, namelijk activiteit en dienstbaarheid in elke denkbare vorm.
Het laatste had Mario met mij op het oog.
En tot zo’n slavin maakte hij me dan ook, doelbewust en consequent.
Jammer genoeg was dat helemaal niet het slavinnenbestaan wat ik nodig had om gelukkig te worden.
Maar dat wist ik, zoals gezegd, op dat tijdstip nog niet. En Mario interesseerde het niet.

Mijn gedaantewisseling tot slavin voltrok zich onder zijn gewetensvolle, bijna perfecte regie.
Ik wachtte hem ‘s avonds op in hoge laarzen, in een leren korset en netkousen met jarretels. Om mijn hals en aan mijn polsen droeg ik ketenen of ten minste leren manchetten, waaraan op elk tijdstip ketenen bevestigd konden worden. Een leren string-tanga toonde duidelijk wat niet verhuld mocht worden. Ik was steeds zwaar opgemaakt, droeg mijn haar hoog opgestoken en had mijn vingernagels rood gelakt.
Zo had hij zich zijn slavin in zijn fantasieën en dromen altijd voorgesteld. En zo zag ik er al snel na de ondertekening van mijn slavencontract uit.
Getrouw aan mijn bestemming knielde ik voor hem neer, zodra hij ‘s avonds het huis betreden had. Hij kwam er niet eens toe rustig zijn jas uit te doen. Ik deed zijn broekriem los, trok zijn ritssluiting naar beneden, trok zijn broek omlaag…
En dan volgde wat mij als slavin de hoogste lust zou moeten geven, maar me nooit werkelijk lust verschafte: het lid van mijn meester in mijn mond.
‘Jij geil loeder,’ kreunde hij.
Ik slikte mijn weerzin tegelijk met het sperma van mijn meester door.
Slavin zijn, dat had ik tenslotte toch gewild, of niet soms?

Ik probeerde de zaak goed te praten. Mijn weerzin verklaarde ik als een heel normale reactie, die ik nog moest overwinnen. Want het kwam toch nergens anders op neer als je slavin was: de eigen gevoelens telden niet, het enige wat van betekenis was, waren de lusten van de heer en meester. Ik was nu met de werkelijkheid geconfronteerd, en die zeg er gewoon niet zo uit als ik me in mijn dromen had voorgesteld. Wat had ik dan verwacht? Moest hij dan altijd datgene doen wat ik op dat moment wenste? Ik wist toch heel zeker dat dat de grootste fout geweest zou zijn die hij had kunnen begaan: te doen wat ik wilde. Nee, dat wilde ik ook niet echt!
Ik wilde me schikken. Ik wilde doen wat hij verlangde. En ik wilde het zo goed doen als voor mij maar mogelijk was.

Het lukte me blijkbaar mijn meester tevreden te stellen. Want enige tijd later werd ik tot likslavin bevorderd. Deze positie gaf met het recht mijn gebieder elke ochtend zachtjes met mijn tong te wekken en hem op deze wijze te reinigen, om hem zo een bad te bespraken. En het recht om ‘s avonds op dezelfde manier elke speelt, elke porie van zijn meesterlijke lijf te verwennen.
Ik hapte naar lucht onder zijn gewicht, als hij mij zijn gebiedende achterste in het gezicht drukte.
‘Goed likken, slavenvarken, helemaal met je tong erin, jij hoerenkut…!’
De smaak van de meester was bitter en ranzig.
Ik voelde weerzin. Het beviel me allemaal niet. Helemaal niet.
‘Het is normaal,’ zei ik tot mezelf, ‘dat ik me ertegen verzet. Maar ik moet hem gehoorzamen.’
Mijn borsten bond hij met snoeren af, hij rustte me uit met buikflessen en fotografeerde me vervolgens. Hij schoor me en liet ringen aan mijn schaamlippen bevestigen. Hij sprak met andere gebieders over de nieuwste behandelingsmethoden met hete was en elektroshocks.
Hij werd voor mij steeds enger. Maar ik bleef.
Ik had het tenslotte gewild, of niet soms?

Soms dost hij mij uit als een hoer, maakt kettingen aan me vast en rijdt met mij naar bepaalde plaatsen in de stad of in het bos, die aan insiders bekend zijn. Daar stopt hij. Daar staan ze al. Gluurders en hoerenlopers, en ze wachten wat de nacht hen brengen zal.
‘Kijk maar goed naar haar, die hoerenkut! Ze is er dol op om jullie eens flink af te zuigen!’ Zo prijst Mario me aan.
Ik krimp ineen. Elke keer als hij dat woord zegt: hoer. Ik haat het. Ik haat ook mijn uiterlijk, deze manier van gehoorzamen. Begerig grijnzende monden, graaiende handen, stijve penissen, in mijn mond, in mijn lichaam.
Mario, mijn meester, is tevreden. ‘Nou, heb ik mijn lustdienaresje niet goed opgevoel? Ze volgt me als een hondje. Ze slikt alles tot de laatste druppel door.’
Ik slik.
Dat heb je toch nodig, of niet soms?

Strelen is voor een slavin taboe. Ze wordt niet gestreeld, ze mag niet strelen.
Voor mijn eigen bevrediging ben ik op mezelf aangewezen. En toch mag dat alleen onder zijn strenge blik gebeuren.
Overbodig gefoezel aan zijn eigen lichaam kan hij niet verdragen. Ter zake! Mario, de gebieder: gereduceerd tot een lichaamsdeel. En dat hoort in mijn mond, tussen mijn borsten, diep in mijn buik, van achteren, van voren, van opzij. ‘Dat krijg je slavenhoer, daar alleen heb je recht op.’
Soms lik ik niet begerig genoeg. Soms kom ik in spijkerbroek op hem af in plaats van in jarretels. Soms wil ik zijn mond kussen, niet alleen zijn penis.
Voor deze ongehoorzaamheid krijg ik zweepslagen. Wreed, ruw en overal: op mijn borsten, mijn buik, op mijn rug en tussen mijn benen.
‘Dat gebeurt er met een ongehoorzame slavenkut!’ brult hij en grijpt tussen mijn benen om te testen ‘of je al flink nat bent’.
Want van zoiets word ik toch geil, of niet soms?
En daarna is het eindelijk weer eens tijd voor zijn gebiedende lid. Maar nog niet helemaal. Eerst moet ik bedelen: ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, neuk me! Ik ben zo geil. Ik ben toch je geile slavenvarken.’
Gekreun. Steeds luider. Dat wil Mario horen.
Kreunen, daar gaat het om. Of het nu uit echte lust is of alleen gespeeld, dat kan hem niet schelen.
Het gekreun heeft hij nodig om klaar te komen, voor zijn bevrediging.
Dus kreun ik. Want daarvoor ben ik immers op de wereld, om de wellust van mijn meester te verhogen, of niet soms?
Ik stoot lustkreten uit, klein en scherp, ik kronkel woest en schreeuw steeds luider. Lustkreten die geen lustkreten zijn.
Maar ik wilde slavin zijn, dus is dat hier mijn bestemming, is dat hier mijn hoogste lust, *de* bevrediging. Ja, juist omdat het moeilijk is om het allemaal te verdragen. Alleen zo wordt mijn deemoed, mijn gehoorzaamheid bewezen.

Deemoed. Ik denk aan Jackson. Vele, vele jaren na mijn ontmoetingen met Jackson, eindelijk tot slavin geworden, lig ik ‘s nachts weer mijn meisjesdromen te dromen. Jackson was liefdevol, hard en rechtvaardig. Jackson; het ging hem om *mij*. En toch was ik aan hem onderworpen, of juist daarom. Mario beschouwt het als een verlies van zijn macht en autoriteit als hij teder met mij is of zich zelfs een moment lang om mij en mijn lust bekommert: zoiets heeft een meester tenslotte niet nodig. Is dat werkelijke autoriteit? Is dat macht? Moet een slavin een man als Mario verdragen en daarbij bevrediging vinden?
Maar hoe staat het met Jackson? Is er geen kans op dat mijn dromen over hem werkelijkheid worden?
Het zal er wel op uitdraaien. Zoiets als Jackson bestaat helemaal niet. Dat moet ik toch begrijpen. Mijn gesprekken met de vrouwen toonden het al heel duidelijk aan: je moet je aanpassen, je mag ten hoogste een ritueel vervullen. Alleen Sabine had nog dromen, waarvan sommige erg op de mijne leken, maar die had ook al geen man.
En zo onderwerp ik me aan de realiteit en aan hem, Mario, mijn meester, aan zijn bevelen, aanzijn macht.

Twee jaar lang dien ik. Dag na dag. En in het bijzonder ‘s nachts.
Mijn gebaren veranderen, mijn gezichtsuitdrukking, mijn taalgebruik. Mario dringt me de uitstraling op die ik hebben moet, die hm bevalt: ik beweeg me als een straathoer. Ik ben een slavin, een lustdienares, een hoer; hoe wil je het vandaag hebben?
Twee jaar, waarin ik niet gestreeld werd.
Maar dat is nu eenmaal het lot van een slavin.
Twee jaar, waarin ik kreun, kuch, schreeuw, kronkel van lust; twee jaar toneelspel voor de meester.
Mario bevalt het. Zijn eisen zijn beperkt en gemakkelijk te vervullen. Ik word steeds leger. Maar een slavin moet leeg zijn, zodat ze alles kan opnemen wat van haar gebieder vandaan komt.
Dat wil ik toch, of niet soms?

Huilend gaf ik me aan de ontzetting over mijn toestand over, toen plotseling de deur van mijn kerker openging. Het was Dalville. Zwijgend kwam hij binnen, zette de kaars, waarmee hij zichzelf onderweg bijgelicht had, op de grond en stortte zich als een beest op me. Op brute wijze onderwierp hij mij aan zijn geile begeerte en bevredigde zijn wellust. Toen pakte hij zijn lamp op, zonder een woord te zeggen, verliet mijn kerker en deed de deur weer stevig op slot.
De volgende dag liet Dalville zich geen enkele keer zien. Maar tegen middernacht kwam hij weer en behandelde me net zoals de vorige avond.
Ik schraapte al mijn moed bijeen en smeekte hem mijn lot te verzachten.
‘Waarom zou ik?’ antwoordde hij. ‘Je verwacht toch niet dat ik je beloon voor het feit dat ik me met je vermaken kan? Moet ik je soms op mijn knieën om je gunsten vragen, opdat jij dan van mij allerlei tegenprestaties kunt verlangen? Nee, ik hoef je nergens om te vragen. Ik neem gewoon wat ik wil. Ik maak alleen van mijn recht over jou gebruik. Dat ik je gebruik, heeft niets met liefde te maken. Ik gebruik een vrouw alleen op grond van mijn behoeften, zoals je een po gebruikt als je daartoe de behoefte hebt. Als ik een vrouw door mijn geld of mijn aanzien volgens mijn wensen gewillig maak, hoef ik toch geen tederheid te gebruiken? Dat ik krijg wat ik wil hebben, heb ik alleen aan mezelf te danken, en van een vrouw verlang ik alleen dat ze zich aan me onderwerpt. Ik zie daarom geen reden om haar bepaalde gevoelens te schenken…’ *

* Uit: Markies de Sade, Justine.

Na twee jaar dienen staat de volgende bevordering op stapel. Ik zal tot toiletslavin verheven worden. Dat wil zeggen dat ik genieten mag van de champagne van mij meester. En wel zo vaak als hij die wil lozen. ‘Doe je slavenmondje maar lekker open!’
Ik slik.
Hij lacht.
‘Daar heb je op gewacht, nietwaar, mijn begerige slokop?’
Nee! Nee! Nee!
Pas nu, eindelijk, word ik wakker.
Nee, dat heb ik absoluut niet gewild! en ik zal het ook nooit willen.
Maar ik wilde toch slavin zijn, wilde me toch onderwerpen?!
Maar niet zo, niet op deze manier. Heel anders.
Ik wilde werkelijke kracht, geen gevoelloze kwellingen. Ik wilde uit eigen beweging deemoedig zijn, z]niet tot een hoer afgericht worden. Maar vooral: ik wilde liefde!

Mario’s ontzette blik, als ik wegga. Hij verwijt me dat ik hem met valse voorwendsels in deze relatie gelokt heb. ‘Je bent helemaal geen slavin! Een paar zachte klapjes, ja, maar o wee als het menens wordt.’ Hij hoont: ‘Wensdromen onder de dekens.’ Ik zou de werkelijkheid niet kunnen verdragen.
Misschien heeft hij gelijk. Waarschijnlijk zelfs. Wensdromen, die tegen de realiteit niet bestand zijn. Maar hoe het ook zij: weg van hier, alleen maar weg van hier! Weg uit deze koude, liefdeloze atmosfeer. Ik ben geen hoer, ik ben geen lustdienares! Ik wil geen meester.
Ik ben helemaal in de war. Al weer. Ik was het al toen ik nog niet eens wist wat mijn fantasieën betekenden. En nu, nu ik alles een naam geven kan, nu ik met vrouwen heb gesproken die op mij lijken, en nu ik twee jaar lang het leven van een slavin geleid heb, ben ik het meer dan ooit.
Ergens gaat er iets verkeerd. Met mijn gevoelens, met mijn wensen. Maar vooral met de praktische invulling van mijn wensen.
Ik zoek alweer mijn toevlucht in de wereld van de boeken. Boeken over het masochisme natuurlijk.


By on 12:05